Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA6365

Datum uitspraak2007-04-27
Datum gepubliceerd2008-04-07
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 07/00090
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vanaf 1 januari 2006 is in de bijlage als bedoeld in artikel 2 WAHV een duidelijk onderscheid in sanctionering van de gedraging opgenomen in R 602 (als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht: € 130,-) en van de gedraging opgenomen in R 620 (als bestuurder niet stoppen voor stopstreep waar dit op grond van het RVV 1990 verplicht is: € 50,-). Het hof leidt hieruit af dat de wetgever onderscheid maakt tussen de gevallen waarbij het rode licht wordt gepasseerd en die gevallen waarin de rood-lichtovertreding beperkt blijft tot het overschrijden van de stopstreep. Het hof geeft het openbaar ministerie in overweging om met het oog op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het dossier met het oog hierop opnieuw te bestuderen.


Uitspraak

WAHV 07/0009027 april 2007CJIB 09093672615 Gerechtshof te Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem van 19 december 2006 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [woonplaats] 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld ter zitting van 13 april 2007. De betrokkene is verschenen. De betrokkene heeft ter zitting verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. K. Tienstra. Na de zitting heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. 3. Beoordeling 3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld. 3.2. De betrokkene voert aan dat hij geen zekerheid heeft gesteld aangezien een medewerker bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) hem niet kon garanderen dat hij, indien hij zekerheid stelde, door de kantonrechter gehoord zou worden. Naar het hof begrijpt stelt de betrokkene zich op het standpunt dat hij daarom ontvankelijk dient te worden verklaard. 3.3. Bij de stukken van het geding bevinden zich twee mededelingen omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 18 augustus 2006 en 4 september 2006, van de officier van justitie aan de betrokkene. In beide brieven wijst de officier van justitie de betrokkene op het feit dat, indien de betrokkene geen zekerheid stelt, de rechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. 3.4. Het hof overweegt dat de door de betrokkene aangevoerde mededeling van een medewerker bij de CVOM niet leidt tot het oordeel dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de betrokkene in verzuim is geweest. Nu vaststaat dat de betrokkene tweemaal door de officier van justitie op de mogelijke gevolgen van het verzuim om zekerheid te stellen is gewezen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. De betrokkene heeft zich weliswaar terecht beklaagd over het schenden door de CVOM van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien dit bestuursorgaan gelet op de onderbouwde stellingname van de betrokkene over het belang van de tot het dossier behorende foto's van de gedraging onmogelijk zonder het kennisnemen van die foto's kon concluderen tot kennelijke ongegrondheid als bedoeld in artikel 7:17 Awb, doch deze schending kan aan het vorenstaande niet afdoen. 3.5. Nu de betrokkene in het ongelijk wordt gesteld zal het hof het verzoek om een vergoeding van de proceskosten afwijzen. 3.6. Het hof overweegt nog het volgende. Vanaf 1 januari 2006 is in de bijlage als bedoeld in art. 2 WAHV in tegenstelling tot in de eerdere bijlagen een duidelijk onderscheid in sanctionering van de gedraging opgenomen in feitcode R602 ("als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht": € 130,-) en van de gedraging opgenomen in feitcode R620 ("als bestuurder niet stoppen voor stopstreep waar dit op grond van het RVV1990 verplicht is": € 50,-). Het hof leidt hieruit af, dat de wetgever onderscheid maakt tussen de gevallen waarbij het rode licht wordt gepasseerd en die gevallen, waarin de roodlicht-overtreding beperkt blijft tot het overschrijden van de stopstreep. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de schending van de hoorplicht door de CVOM, geeft het hof het openbaar ministerie in overweging om met het oog op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het dossier met het oog hierop opnieuw te bestuderen. 4. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mrs. Weenink, Dijkstra en Poelman, in tegenwoordigheid van mr. Meijering als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.