
Jurisprudentie
BA6600
Datum uitspraak2007-05-23
Datum gepubliceerd2007-06-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2774 WW, 06/2776 WAO, 06/2777 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-06-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2774 WW, 06/2776 WAO, 06/2777 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet-ontvankelijk. Niet verschoonbare termijnoverschrijding van betaling griffierecht.
Uitspraak
06/2774 WW
06/2776 WAO
06/2777 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Haarlem van 28 maart 2006, 04-1981 WW, 04-1982 WAO en 04-1983 ZW (hierna: aangevallen uitspraken).
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna Uwv).
Datum uitspraak: 23 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van
18 oktober 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak heeft appellante verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2007.
Daar is appellante, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. mw. S.J.M.A. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 18 oktober 2006 berust hierop, dat het beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat het griffierecht niet is voldaan.
De Raad is van oordeel dat de door appellante aangevoerde omstandigheden in onder meer het verzetschrift onvoldoende gronden bevatten die tot gegrondverklaring van het verzet kunnen leiden.
Uit hetgeen is aangevoerd kan de Raad niet anders afleiden dan dat appellante, hoewel bij brief van 14 juli 2006 erop gewezen dat geen uitstel werd verleend voor het betalen van het griffierecht, het griffierecht niet heeft betaald omdat zij eerst wilde weten of het -doorzetten van het- hoger beroep zin had en zij het risico niet wilde lopen het griffierecht niet terug te zullen krijgen. Dat acht de Raad onvoldoende grond om het niet-betalen van het griffierecht verschoonbaar te achten.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.D.F. de Moor.

