
Jurisprudentie
BA6602
Datum uitspraak2007-05-23
Datum gepubliceerd2007-06-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3691 WW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-06-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/3691 WW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij nader besluit geheel tegemoetgekomen aan bezwaar. Schadevergoeding?
Uitspraak
05/3691 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 25 april 2005, 04/556 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 7 april 2006 heeft het Uwv de Raad bericht dat het besluit op bezwaar van 25 juni 2004, waarbij het bezwaar tegen de intrekking van de uitkering per 26 januari 2004 ongegrond wordt verklaard, niet wordt gehandhaafd en dat het bezwaar van appellante tegen dat besluit alsnog gegrond zal worden verklaard.
Bij brief van 19 mei 2006 heeft appellante de Raad meegedeeld het hoger beroep te handhaven. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij vanwege het stopzetten van de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) de nodige problemen heeft gekregen.
Bij brief van 25 augustus 2006 heeft het Uwv de Raad laten weten dat met ingang van 4 februari 2004 de uitbetalingen aan appellante zijn hervat en dat deze tot het einde van de maximale uitkeringsduur op 5 februari 2006 zijn voortgezet.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 4 oktober 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.
Na de behandeling van het geding is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en is het onderzoek heropend. In verband daarmee heeft de Raad het Uwv verzocht het nadere besluit op bezwaar in te zenden.
Bij brief van 9 oktober 2006 heeft het Uwv de Raad dat nieuwe besluit op bezwaar van
7 april 2006 doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 11 april 2007, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens het nadere besluit van 7 april 2006 wordt geheel tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellante. Daarbij is derhalve het bestreden besluit van 25 juni 2004 niet gehandhaafd, zodat dit voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak.
De Raad vat de door appellante in haar voormelde brief van 19 mei 2006 aangegeven problemen vanwege het stopzetten van haar uitkering ingevolge de WW op als een verzoek tot vergoeding van renteschade. De Raad acht termen aanwezig om de vergoeding van de wettelijke rente toe te wijzen over de nabetaling van de uitkering. Wat betreft de wijze waarop die rente dient te worden berekend, volstaat de Raad, met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.
Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juni 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als hiervoor in rubriek II is vermeld;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 140,-- (€ 37,-- en € 103,--) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) M.D.F. de Moor.

