
Jurisprudentie
BA6616
Datum uitspraak2007-05-09
Datum gepubliceerd2007-06-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3033 WW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-06-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3033 WW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verzet gegrond. Niet aangetoond dat brief met betrekking tot betaling griffierecht , is ontvangen.
Uitspraak
06/3033 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2006, 05/2926 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van
13 september 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak heeft S. Schiff, wonende te Parijs, Frankrijk, namens appellant verzet gedaan.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 13 september 2006 berust hierop, dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat het griffierecht niet is betaald. Daarbij is vastgesteld
a. dat appellant bij brief van 8 juni 2006 is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 105,- bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechten acceptgirokaart.
b. dat appellant vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 10 juli 2006 er op is gewezen dat het griffierecht binnen vier weken dien te zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie te zijn gestort, en
c. dat het griffierecht niet is betaald.
In verzet heeft de gemachtigde van appellant meegedeeld dat hij geen uitnodiging tot het betalen van het griffierecht heeft ontvangen.
Naar aanleiding van deze mededeling heeft de Raad bij schrijven van 21 februari 2007 aan TNT Post verzocht een nader onderzoek in te stellen naar het op 10 juli 2006 verzonden schrijven.
Bij schrijven van 5 april 2007 heeft TNT Post de Raad meegedeeld dat het onderzoek geen positief resultaat heeft opgeleverd.
Nu niet kan worden aangetoond dat appellant de brief van 10 juli 2006 wel heeft ontvangen, dient de Raad er van uit te gaan dat slechts de in de brief van 8 juni 2006 genoemde verplichting om het griffierecht te betalen onder de aandacht van appellant is gebracht, zonder dat daarbij een einddatum is genoemd. Het overschrijden van een niet bekende termijn waarbinnen het griffierecht zou moeten worden bijgeschreven, kan aan appellant niet worden tegengeworpen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet gegrond te worden verklaard en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.

