Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA7325

Datum uitspraak2007-06-08
Datum gepubliceerd2007-06-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2358 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering.


Uitspraak

05/2358 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2005, 04/2772 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 8 juni 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 9 augustus 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 maart 2004, waarbij is geweigerd aan haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging primair dat zij reeds bij aanvang van haar werkzaamheden, derhalve bij aanvang van haar verzekering ingevolge de WAO, op 1 oktober 1999 volledig arbeidsongeschikt was en subsidiair dat, gezien haar gezondheidstoestand bij aanvang van die verzekering, binnen een half jaar na 1 oktober 1999 die arbeidsongeschiktheid kennelijk was te verwachten. Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij aangetekend dat het enkele feit dat appellante in aanmerking is gekomen voor arbeid in WSW-verband onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel. In hoger beroep heeft appellante volstaan met het herhalen van haar eerder in beroep ingenomen standpunt. Zij betwist dat haar psychische gesteldheid op 1 oktober 1999 van dien aard was dat er sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid en benadrukt opnieuw dat zij niet in WSW-verband zou zijn aangenomen als er daadwerkelijk sprake zou zijn geweest van volledige arbeidsongeschiktheid. De Raad overweegt als volgt. Dit geding wordt beheerst door de vraag of het Uwv bevoegd was de door de verzekeringsartsen vastgestelde algehele arbeidsongeschiktheid van appellante bij aanvang van de verzekering op 1 oktober 1999 geheel en blijvend buiten aanmerking te laten. Deze vraag is door de Raad al beantwoord bij onherroepelijk geworden einduitspraak van 14 juni 2004, LJN: AP8165. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen enkele aanleiding thans tot een ander oordeel te komen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd. Voor een vergoeding van proceskosten zijn geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2007. (get.) G.J.H. Doornewaard. (get.) M.C.T.M. Sonderegger.