Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA7724

Datum uitspraak2007-05-24
Datum gepubliceerd2007-06-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2991 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting. Juistheid oordeel over belastbaarheid.


Uitspraak

04/2991 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 april 2004, 2003/657 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 mei 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van appellant heeft een nader stuk ingezonden. De orthopedisch chirurg dr. A.D. Verburg heeft de Raad desgevraagd van verslag en advies gediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 12 april 2007. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen. II. OVERWEGINGEN Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO), welke laatstelijk sedert 4 juni 2002 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 18 december 2002 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 17 februari 2003 ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% bedroeg. Appellants bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 31 maart 2003 ongegrond verklaard. Ter zitting van de rechtbank heeft het Uwv zich nader op het standpunt gesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 17 februari 2003 15 tot 25% bedroeg. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 maart 2003 vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 februari 2003 vastgesteld op 15 tot 25%, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 17 februari 2003 15 tot 25% bedroeg. Appellant is van oordeel dat zijn lichamelijke beperkingen zijn onderschat. Op verzoek van de Raad heeft de orthopedisch chirurg Verburg, voornoemd, van verslag en advies gediend. In zijn rapport van 13 december 2006 is deze deskundige op grond van zijn anamnese en lichamelijk en röntgenologisch onderzoek tot het oordeel gekomen dat op de in geding zijnde datum de voor appellant vastgestelde belastbaarheid van toepassing was en dat appellant op die datum de aan hem voorgehouden functies kon vervullen. De Raad ziet geen aanknopingspunten om dit oordeel niet te volgen. Ook overigens heeft de Raad in de gedingstukken geen aanleiding kunnen vinden de voor appellant vastgestelde belastbaarheid en de medische geschiktheid van de functies onjuist te achten dan wel daarnaar nader onderzoek te doen verrichten. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2007. (get.) M.M. van der Kade. (get.) P.H. Broier.