Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA7726

Datum uitspraak2007-06-06
Datum gepubliceerd2007-06-21
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1773 NABW-V
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen sprake van kennelijke niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Verwijzing naar meervoudige kamer ter beoordeling kwestie van griffierecht.


Uitspraak

05/1773 NABW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 februari 2005, 03/942 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College) Datum uitspraak: 6 juni 2007 I. PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 13 juli 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de uitspraak van de Raad van 13 juli 2006 heeft appellant verzet gedaan. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 mei 2006, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn II. OVERWEGINGEN De Raad is, mede gelet op hetgeen appellant in verzet heeft aangevoerd, van oordeel dat in dit geval geen sprake is van kennelijke niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. De Raad acht het aangewezen dat een meervoudige kamer oordeelt over de kwestie van (het niet betalen van) het griffierecht. In die omstandigheden dient het verzet gegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 13 juli 2006 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. De zaak zal worden geagendeerd voor een zitting van (een meervoudige kamer van) de Raad als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet. Van kosten waarop een veroordeling in de proceskosten van het verzet betrekking kan hebben, is de Raad niet gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007. (get.) T.G.M. Simons. (get.) R.L. Rijnen.