Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA7982

Datum uitspraak2007-06-20
Datum gepubliceerd2007-06-26
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 07/765
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzet; onvoldoende grond voor de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep; verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt door de rechtbank voortgezet in de stand waarin het zich bevond.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/765 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2007 op het verzet van [opposante], wonende te Diemen, opposante. Inleiding 1.1 Bij uitspraak van 6 september 2005, verzonden 12 september 2005, heeft de rechtbank te Amsterdam (nevenzittingsplaats Haarlem) met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van opposante gericht tegen een besluit van 7 juni 2005 van de heffingsambtenaar van de gemeente Diemen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank te Amsterdam (nevenzittingsplaats Haarlem) is tot de uitspraak van 6 september 2005 overgegaan, omdat opposante niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Die rechtbank is voorts niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest. 1.2 Opposante heeft bij brief van 26 september 2005 verzet gedaan tegen voormelde uitspraak. Bij uitspraak van 19 december 2005 (AWB 05/3327) heeft de rechtbank te Amsterdam (nevenzittingsplaats Haarlem) het verzet ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemde uitspraak heeft opposante beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (hierna: HR). De HR heeft bij arrest van 26 januari 2007 (nr. 42.951) het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam (nevenzittingsplaats Haarlem) van 19 december 2005 vernietigd, en het geding verwezen naar de rechtbank te Utrecht ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest. Overwegingen 2.1 De rechtbank dient, gelet op het bepaalde in voornoemd arrest van de HR, opnieuw te beslissen op het verzetschrift van opposante van 26 september 2005. Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank te Amsterdam (nevenzittingsplaats Haarlem) op goede gronden het beroep van opposante kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met kennelijk wordt bedoeld dat daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is (zie MvT, Parl.Gesch. Awb II, p. 450). 2.2 In artikel 8:55, derde lid, van de Awb is bepaald dat de rechtbank, alvorens uitspraak te doen op het verzet, de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid stelt op een zitting te worden gehoord, tenzij zij van oordeel is dat het verzet gegrond is. De rechtbank heeft in het onderhavige geval afgezien van het horen van opposante, omdat zij van oordeel is dat het verzet gegrond dient te worden verklaard. Daartoe wordt het volgende overwogen. 2.3 De rechtbank stelt vast dat opposante in verzet heeft aangevoerd dat de verzending van het beroepschrift op 19 juli 2005 naar de rechtbank te Amsterdam (nevenzittingsplaats Haarlem) is mislukt vanwege het niet-functioneren van het faxapparaat van die rechtbank. Opposante heeft gesteld dat enkele medewerksters van die rechtbank daar het een en ander van weten. 2.4 De rechtbank acht het op grond van het gestelde in het verzetschrift aangewezen dat er een nader onderzoek plaatsvindt naar de door opposante geschetste gang van zaken op 19 juli 2005. Aan de hand van de resultaten van dat onderzoek zal de rechtbank zich een oordeel vormen over de mogelijke verschoonbaarheid van het geconstateerde verzuim. De rechtbank vindt in hetgeen in verzet is aangevoerd derhalve voldoende aanleiding voor het oordeel dat in dit geval onvoldoende grond bestond voor de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van opposante. 2.5 Derhalve ziet de rechtbank aanleiding het verzet gegrond te verklaren. Ingevolge artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, vervalt dientengevolge de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek door de rechtbank voortgezet in de stand waarin het zich bevond. 2.6 Ter voorlichting aan opposante en teneinde geen ongerechtvaardigde verwachtingen te wekken, merkt de rechtbank op dat de gegrondverklaring van het verzet geenszins hoeft te betekenen dat dit zonder meer tot een ontvankelijkverklaring van het beroep zal leiden. 2.7 De rechtbank beslist met toepassing van artikel 8:55 als volgt. Beslissing De rechtbank Utrecht, verklaart het verzet gegrond. Aldus vastgesteld door mr. A.J. Scheijde, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2007. De griffier: De rechter: A. Heijboer mr. A.J. Scheijde Afschrift verzonden op: