
Jurisprudentie
BA7986
Datum uitspraak2007-06-19
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00707/07 H
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00707/07 H
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening.
Uitspraak
19 juni 2007
Strafkamer
nr. 00707/07 H
IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 september 2004, nummer 24/000619-00, ingediend door mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, te dezen domicilie kiezende te Amsterdam ten kantore van zijn raadsman.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Assen van 5 juli 2000 - de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder D, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een (deel)vrijspraak en oplegging van een minder zware straf indien het Hof bekend zou zijn geweest met de bij de aanvrage gevoegde verklaring van [getuige 3] van 7 december 2006.
Deze schriftelijke verklaring houdt - zakelijk weergegeven - in dat de aanvrager geen weet heeft gehad van de bewezenverklaarde gedragingen. Voorts trekt [getuige 3] in zijn verklaring de betrouwbaarheid van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] in twijfel.
3.3. Mede tegen de achtergrond van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, waaruit het Hof onder meer de betrokkenheid van de aanvrager bij de handel in amfetamine heeft afgeleid, kan de inhoud van de bedoelde verklaring niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.4. Opmerking verdient voorts dat onder een "minder zware strafbepaling" in de in 3.1 genoemde bepaling wordt verstaan een wettelijke strafbepaling waarbij een minder zware straf is bedreigd, en niet een minder zware strafoplegging.
3.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 juni 2007.

