
Jurisprudentie
BA8238
Datum uitspraak2007-06-26
Datum gepubliceerd2007-06-28
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6123 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-06-28
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6123 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet-verschoonbare overschrijding beroepstermijn.
Uitspraak
06/6123 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 augustus 2006, 05/3195 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 juni 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet (hierna: Bw) van 31 januari 2007 heeft de Raad het namens appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak is mr. M.O. Wattilete, advocaat te Amsterdam, namens appellant in verzet gekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007, waar partijen -met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Naar aanleiding van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 31 januari 2007 terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is te achten.
Hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan hetwelk is neergelegd in zijn uitspraak van 31 januari 2007.
De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak op 1 september 2006 aangetekend is verzonden naar het juiste adres van appellant en derhalve bekend is gemaakt op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 8:79, eerste lid van de Awb, juncto artikel 21 van de Bw.
De beroepstermijn is mitsdien op 2 september 2006 gaan lopen en de laatste dag van deze termijn was 13 oktober 2006.
De aangevallen uitspraak is op 29 september 2006 door de rechtbank retour ontvangen met de mededeling “niet afgehaald” en vervolgens niet-aangetekend op 2 oktober 2006 aan appellant verzonden. Het hoger beroepschrift, gedateerd 26 oktober 2006, is op dezelfde dag ter griffie van de Raad ontvangen, dus na het verstrijken van de beroepstermijn. Hetgeen namens appellant ter zake is aangevoerd bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 31 januari 2007.
De Raad merkt voorts op dat appellant ter zitting van de rechtbank is verschenen. Hij kon dus in beginsel binnen een termijn van 6 weken een uitspraak verwachten. Indien deze, zonder bericht, langer uitbleef lag het op de weg van appellant om bij de rechtbank te informeren wanneer er een uitspraak zou volgen.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat de stelling over het niet ontvangen van de uitspraak van de rechtbank door appellant niet nader is onderbouwd.
De tweede verzending van de aangevallen uitspraak op 2 oktober 2006, waarvan de ontvangst daags daarna van de zijde van appellant niet is betwist, vond overigens nog plaats binnen de gestelde beroepstermijn. Appellant had een voorlopig beroepschrift kunnen (laten) indienen om de termijn veilig te stellen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Bw, in samenhang met het vijfde lid van
artikel 8:55 van de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op het zesde lid van laatstgenoemd artikel blijft de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) R.A. Huizer.

