Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA8890

Datum uitspraak2007-05-23
Datum gepubliceerd2007-07-05
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3008 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uwv heeft het bezwaar van betrokkene terecht niet-ontvankelijk verklaard.


Uitspraak

06/3008 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], Duitsland (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2006, 04/4705 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 23 mei 2007. I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. 2. Bij bestreden besluit van 10 september 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant van 12 augustus 2004, gericht tegen een “toelichting werkwijze voor werkzoekenden EU-landen ”(hierna: Toelichting), niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft het Uwv overwogen dat de Toelichting geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft afgezien van het horen van appellant in bezwaar, omdat naar de mening van het Uwv sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift. 3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de Toelichting niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb, in welk verband zij van belang acht dat de Toelichting dient te worden aangemerkt als een voorlichtende folder en derhalve niet op rechtsgevolg is gericht. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft afgezien van het horen nu uit het bezwaarschrift reeds aanstonds bleek dat de bezwaren ongegrond waren en er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk was. 4. De in hoger beroep aan de orde zijnde vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellant in zijn bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dienaangaande en maakt de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid tot de zijne. Hetgeen door appellant in hoger beroep nog is aangevoerd, acht de Raad door het Uwv bij het verweerschrift van 29 juni 2006 afdoende weerlegd en hij volstaat hier met daarnaar te verwijzen. 5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007. (get.) M.A. Hoogeveen. (get.) P. Boer. BvW 245