bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA8915

Datum uitspraak2007-06-12
Datum gepubliceerd2007-07-05
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers05/1065
Statusgepubliceerd
SectorDouanekamer


Indicatie

Het hoger beroep van de inspecteur wordt (inhoudelijk) opnieuw verworpen. De rechtbank oordeelde dat het een verschoonbare vergissing van belanghebbende betrof, vervolgens is ook de Douanekamer van oordeel dat belanghebbende bij haar verzoeken om terugbetaling in wezen een beroep op herziening als bedoeld in artikel 78, lid 1 van het CDW heeft gedaan nu zij in de bij de verzoeken gevoegde brieven uitdrukkelijk - en naar ter zitting is komen vast te staan - onder overlegging van de facturen van C aan B heeft gesteld abusievelijk de facturen van B aan J te hebben overgelegd. De Douanekamer is daarom van oordeel dat de inspecteur de verzoeken om terugbetaling had moeten aanmerken als verzoeken om herziening in de zin van artikel 78, lid 1 van het CDW. Gelet op het Overland Footwear Ltd-arrest, C-468/03, had de inspecteur tot herziening - dat wil zeggen tot het opnieuw onderzoeken - van de aangiften moeten overgaan. Belanghebbende heeft bewezen dat zij bij bij het doen van de douaneaangiften bij vergissing de facturen van B aan J heeft gehanteerd en maakt terecht aanspraak op terugbetaling. Hoger beroep gegrond (wat betreft de hoogte van het bedrag van de terugbetaling).


Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM Kenmerk 05/1065 DK uitspraak van de Douanekamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane P, de inspecteur, tegen de uitspraak in de zaak no. 05/686 DKRCHT van de rechtbank Haarlem (verder: de rechtbank) van 15 augustus 2005 in het geding tussen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te A, belanghebbende, gemachtigde F en de inspecteur. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende uitnodigingen tot betaling van douanerechten uitgereikt: - op 25 augustus 2004 onder nummer xxxxx64 (verder aangeduid als nummer 64) één ten bedrage van € 1.290,28; - op 30 augustus 2004 onder nummer xxxxx54 (verder aangeduid als nummer 54) één ten bedrage van € 1.290,28; - op 27 september 2004 onder nummer xxxx45 (verder aangeduid als nummer 45) één ten bedrage van € 2.651,38. 1.2. Op 30 september 2004 heeft belanghebbende verzoeken ingediend tot terugbetaling van € 288,25 met betrekking tot elk van de onder nummers 64 en 54 vastgestelde uitnodigingen tot betaling. Op 1 oktober 2004 heeft zij met betrekking tot de onder nummer 45 vastgestelde uitnodiging tot betaling verzocht om terugbetaling van € 572,29. 1.3. Bij uitspraken van 6 december 2004 heeft de inspecteur de onder 1.2. vermelde verzoeken om terugbetaling afgewezen. Bij uitspraken van 3 februari 2005 heeft de inspecteur de door belanghebbende tijdig ingediende bezwaarschriften tegen de uitspraken van 6 december 2004 afgewezen. In haar uitspraak van 15 augustus 2005, verzonden op 19 augustus 2005, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, heeft zij de uitspraken op bezwaar alsmede de beschikkingen op de verzoeken om terugbetaling vernietigd en heeft zij de inspecteur gelast tot terugbetaling van € 1.148,79. 1.4. De rechtbank heeft, voorzover van belang, daartoe het volgende overwogen: “6.5. In het onderhavige geval kunnen zowel de facturen van B als C dienen als geldige facturen voor het bepalen van de douanewaarde. De opvatting van verweerder (door de Douanekamer van het Hof aangeduid als de inspecteur) dat eiseres (door de Douanekamer van het Hof aangeduid als belanghebbende) heeft gekozen voor de facturen van B kan niet worden gevolgd, omdat uit de aangifte zelf en uit het verzoek duidelijk blijkt dat eiseres de bedoeling had de verkopen van C aan te willen merken als grondslag voor het bepalen van de douanewaarde. (…) 6.8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres met het op aangifte D.V.1 vermelden van C als verkoper kennelijk de bedoeling heeft gehad de door C gehanteerde transactieprijs als douanewaarde toe te passen. Nu dit vervolgens niet is geschied, en het kennelijk gaat om een verschoonbare vergissing, die eiseres te goeder trouw heeft gemaakt, zijn onjuiste gegevens toegepast voor de berekening van de douanewaarde, waardoor verweerder verplicht is om de douanewaarde te herzien als bedoeld in artikel 78 CDW (Communautair douanewetboek). 6.9. Uit hetgeen is overwogen volgt dat eiseres in het kader van haar verzoeken om teruggaaf terecht om een herziening van de aangiften ten invoer heeft verzocht en zij ook overigens voldoet aan de voorwaarden voor teruggaaf op de voet van artikel 236 CDW, zij recht heeft op de door haar verzochte terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting. De hoogte van de bedragen waarvan teruggaaf is verzocht is niet in geschil tussen partijen. (…)” 1.5. De beslissing van de rechtbank (het dictum) luidt als volgt: “7. Beslissing De rechtbank 7.1. verklaart het beroep gegrond; 7.2. vernietigt de uitspraken op bezwaar van 11 januari 2005 en 3 februari 2005 alsmede de beschikkingen op het verzoek om terugbetaling; 7.3. gelast verweerder tot terugbetaling van € 1.148,79; 7.4. gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 276,00 aan haar vergoedt.” 2. De procedure voor de Douanekamer van het Hof 2.1. Tegen de onder 1.3. vermelde uitspraak van de rechtbank heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 23 augustus 2005, bij de Douanekamer van het Hof (verder: Douanekamer) ingekomen op 24 augustus 2005. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 28 oktober 2005. 2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2007. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de inspecteur D en E, alsmede namens belanghebbende F, vergezeld van G. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd. Voorts heeft hij kopieën van drie facturen overgelegd, alle van C (1989) Ltd. te H, Thailand (hierna: C) aan B GmbH te I, Duitsland (hierna: B). Belanghebbende heeft zich over deze facturen kunnen uitlaten. De Douanekamer rekent de pleitnota alsmede de overgelegde facturen tot de stukken van het geding. 3. De feiten De Douanekamer verwijst allereerst naar de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting stelt de Douanekamer de volgende feiten vast. 3.1. Belanghebbende is douane-expediteur. Op 25 augustus 2004 heeft zij onder nummer 10964 aangifte voor het vrije verkeer gedaan van een zending, bestaande uit 3350 colli “suikermais, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur” van oorsprong uit Thailand. De douaneaangifte vermeldt een factuurprijs van € 13.567,50 en een douanewaarde van € 13.567. Op de bij de douaneaangifte gevoegde aangifte van de gegevens inzake de douanewaarde (verder: aangifte DV 1) is als verkoper van de goederen C genoemd en als koper/geadresseerde J GmbH te K, Duitsland (verder: J) vermeld. Voorts maakt de aangifte DV 1 melding van een factuur, nummer xxxx van 24 augustus 2004. Bij de douaneaangifte heeft belanghebbende een factuur overgelegd van B aan J waarvan datum en nummer overeenkomen met die welke in de aangifte DV 1 zijn opgenomen. Op de factuur is een prijs vermeld van € 13.567,50, vermeerderd met € 947,73 (7%) omzetbelasting. 3.2. Eveneens op 25 augustus 2004 heeft belanghebbende onder nummer 11154 aangifte voor het vrije verkeer gedaan van nog eens 3350 colli “suikermais, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur” van oorsprong uit Thailand. Ook deze douaneaangifte vermeldt een factuurprijs van € 13.567,50 en een douanewaarde van € 13.567. Op de bij de douaneaangifte gevoegde aangifte DV 1 is als verkoper van de goederen C vermeld en als koper belanghebbende. De aangifte DV 1 vermeldt voorts factuur nummer xxxx van 30 augustus 2004. Bij de douaneaangifte heeft belanghebbende een factuur overgelegd van B aan J, met datum en nummer welke overeenkomen met de in de aangifte DV 1 vermelde factuurdatum en –nummer. De factuur vermeldt een prijs van € 13.567,50, vermeerderd met € 947,73 (7%) omzetbelasting. 3.3. Op 27 september 2004 heeft belanghebbende onder nummer 12545 aangifte voor het vrije verkeer gedaan van 5600 colli “suikermais, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur” van oorsprong uit Thailand. De aangifte vermeldt een factuurprijs en douanewaarde van € 27.216. Op de bij deze douaneaangifte gevoegde aangifte DV 1 is als verkoper van de goederen C vermeld, als koper belanghebbende. Voorts maakt de aangifte DV 1 melding van een factuur, nummer xxxx met datum 24 september 2004. Bij de douaneaangifte heeft belanghebbende een factuur gevoegd waarvan nummer en datum overeenkomen met die welke in de aangifte DV 1 zijn vermeld. Ook deze factuur is van B aan J; zij vermeldt een prijs van € 27.216 vermeerderd met € 1.905,12 (7%) omzetbelasting. 3.4. De onder 3.1 tot en met 3.3 vermelde aangiften hebben geleid tot de vrijgave van de goederen conform de aangiften en tot de vaststelling van de onder 1.1 vermelde uitnodigingen tot betaling, waarbij is uitgegaan van de in elk van de aangiften vermelde douanewaarde. 3.5. Belanghebbende heeft de onder 1.2. bedoelde verzoeken om terugbetaling ingediend op afzonderlijke, daartoe geëigende formulieren. Zij heeft op de desbetreffende formulieren aangekruist dat de desbetreffende verzoeken om terugbetalingen gedaan werden overeenkomstig artikel 236 van het CDW. In de bij elk van deze verzoeken gevoegde brieven heeft zij aangegeven dat de goederen zijn gekocht door B en dat zij “per abuis op naam van zijn afnemer [zijn] vrijgemaakt”. Belanghebbende verzoekt in elk van deze brieven om: “Teruggaaf van het ad valoruminvoerrecht welk is geheven op het bovengenoemd invoerdocument IM4. Tevens vragen wij U beleefd om als importeur de firma B GmbH te I te zien (…)” 3.6. Bij een als “ambtshalve terugbetaling” aangeduide beschikking van 8 april 2005 heeft de inspecteur met betrekking tot de litigieuze uitnodigingen tot betaling terugbetaling verleend van € 266,88. De beslissing dienaangaande luidt: “Beslissing inzake ambtshalve terugbetaling Bovenstaande geeft mij aanleiding om tot terugbetaling op grond van artikel 236 van verordening 2913/92 over te gaan. Het volgende bedrag zal aan u worden terugbetaald (…)” 4. Het geschil en de relevante wetsbepalingen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de inspecteur terecht de door belanghebbende ingediende verzoeken om terugbetaling heeft afgewezen. De berekening van de bedragen waarvan terugbetaling wordt gevraagd is tussen partijen niet in geschil. 4.2. Bij de beoordeling van het geschil heeft de Douanekamer de volgende bepalingen in aanmerking genomen. 4.2.1. Met betrekking tot de douanewaarde van goederen zijn te dezen van belang artikel 29, eerste lid, van het CDW juncto artikel 147 van de Uitvoeringsverordening CDW (verder: UCDW), alsmede artikel 178 van de UCDW. Betreffende bepalingen luiden, voor zover van belang, als volgt. “Art. 29 –1. De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de prijs van de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33, (…)” “Art. 147 –1. Voor de toepassing van artikel 29 van het Wetboek is het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, voor het vrije verkeer worden aangegeven, een voldoende aanduiding om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap aan te merken. In het geval van opeenvolgende verkopen voordat de waarde wordt bepaald, is een dergelijke aanduiding van toepassing op de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht of op een verkoop binnen het douanegebied van de Gemeenschap voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht. Wanneer de prijs wordt aangegeven die betrekking heeft op een verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, dient ten genoegen van de douaneautoriteiten te worden aangetoond dat deze verkoop met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied is afgesloten. De artikelen 178 tot en met 181 bis zijn van toepassing”. “Art. 178 –1. Wanneer de douanewaarde dient te worden vastgesteld, wordt, voor de toepassing van de artikelen 28 tot en met 36 van het Wetboek, een aangifte van gegevens inzake de douanewaarde gevoegd bij de aangifte die voor de ingevoerde goederen wordt gedaan. De aangifte van de gegevens inzake de douanewaarde wordt gedaan op een formulier DV 1 (…)”. 4.2.2. Met betrekking tot de aangifte bepaalt artikel 62 van het CDW het volgende: “1. Schriftelijke aangiften (…) moeten (…) alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. 2. Bij de aangifte moeten alle bescheiden worden gevoegd die moeten worden overgelegd om de toepassing mogelijk te maken van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.” 4.2.3. Artikel 71 van het CDW luidt als volgt: “1. De resultaten van de verificatie van de aangifte dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst. 2. Indien er geen verificatie van de aangifte wordt uitgevoerd, vindt de toepassing van de in lid 1 bedoelde bepalingen plaats aan de hand van de vermeldingen in de aangifte.” 4.2.4. Artikel 78 van het CDW luidt, voor zover van belang, als volgt: “1. De douaneautoriteiten kunnen na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de aangifte overgaan. 2. (…) 3. Indien uit de herziening van de aangifte (…) blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten, met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken.” 4.2.5. In artikel 236 van het CDW is – voor zover van belang – omtrent de terugbetaling van rechten bij invoer het volgende bepaald: “1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was (…).” 5. Standpunten van partijen - De inspecteur 5.1. Uit de aangiften en de overlegging van een factuur van B blijkt dat belanghebbende de bedoeling had de verkopen van B aan J aan te merken als grondslag voor het bepalen van de douanewaarde. Deze factuur kan ingevolge de wettelijke bepalingen dienen ter bepaling van de douanewaarde. 5.2. Een verzoek om terugbetaling kent een andere procedure dan die met betrekking tot een verzoek om herziening. Alleen als er een verzoek tot herziening wordt gedaan en deze herziening leidt tot de conclusie dat teveel geheven is, is er een koppeling tussen de artikelen 78 en 236 van het CDW. Ik deel niet de opvatting van de A-G in zijn conclusie in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (verder: Hof van Justitie) van 5 december 2002, Overland Footwear, C-379/00, Jurispr. 2002, blz. I-11133, dat een verzoek om terugbetaling tevens moet worden gezien als een verzoek tot herziening. 5.3. Ook als geoordeeld zou worden dat een verzoek om terugbetaling ex artikel 236 van het CDW tevens een verzoek tot herziening inhoudt, kan niet aan terugbetaling worden toegekomen, omdat daartoe alleen kan worden overgegaan als de heffing is gebaseerd op onjuiste dan wel onvolledige gegevens. Daarvan is hier geen sprake. Belanghebbende heeft een bewuste keuze gemaakt voor de transacties tussen B en J omdat zowel de aangegeven factuurnummers als de transactieprijzen overeenkomen met die transacties. Belanghebbende heeft niet bewezen dat sprake is van een onbedoelde vergissing die herziening op de voet van artikel 78 van het CDW rechtvaardigt. 5.4. Ter zitting heeft de inspecteur, zakelijk weergegeven, nog het volgende aan zijn standpunt toegevoegd. Ambtshalve is terugbetaling van € 266,88 verleend. De rechtbank heeft met deze teruggaaf geen rekening gehouden in haar dictum. Als de Douanekamer van oordeel is dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, dan dient de terugbetaling beperkt te worden tot € 1.148,79 minus 266,88, ofwel € 881,91. Overigens is de berekening van de bedragen waarvoor terugbetaling is verzocht, niet in geschil. Er is geen transactie tussen C en J en evenmin tussen J en belanghebbende. In zoverre zijn de aangiftes DV 1 derhalve onjuist. Nu bij de douaneaangifte een factuur was gevoegd waarvan de prijs overeenkwam met het op de douaneaangifte vermelde factuurbedrag, was er geen reden tot nader onderzoek. Belanghebbende had ook de facturen van C aan B voorhanden. Ook daaruit volgt dat zij een bewuste keuze heeft gemaakt om de prijs van de transacties tussen B en J te gebruiken bij de bepaling van de douanewaarde. De facturen van C aan B zijn door belanghebbende overgelegd bij de verzoeken om terugbetaling. - Belanghebbende 5.5. Er is een verschoonbare vergissing begaan bij de aangifte. De facturen van B aan J dienden uitsluitend voor het BTW-traject. Er is wel degelijk bedoeld een verzoek in de zin van artikel 78 van het CDW te doen. Dat verzoek moet in samenhang met artikel 236 van het CDW worden bezien. 5.6. Ter zitting heeft belanghebbende, zakelijk weergegeven, nog het volgende naar voren gebracht. Wij treden op als beperkt fiscaal vertegenwoordiger. Dat brengt met zich dat wij ten behoeve van de juiste voldoening op aangifte van BTW moeten beschikken over de facturen terzake van de doorverkoop – dat wil zeggen de transactie tussen B en J. Op de administratie zijn derhalve twee facturen aanwezig. De factuur van B aan J is per ongeluk in het douanedossier terecht gekomen, deze had in het BTW-dossier moeten zitten. Er is onzerzijds een fout begaan. Bij de douaneaangifte had de factuur van C aan B moeten worden gevoegd, maar men heeft de verkeerde factuur gepakt. De fout is veroorzaakt door het BTW-gebeuren. De juiste facturen - die van C aan B - zijn bij de verzoeken om terugbetaling overgelegd ter staving van die verzoeken. De aangiften DV 1 zijn ook onjuist ingevuld. Anders dan twee van de aangiften DV 1 suggereren, is belanghebbende geen partij geweest bij de onderhavige transacties; zij trad uitsluitend op als fiscaal vertegenwoordiger. C heeft voorts niet aan J geleverd. De aangifte DV 1 waarop als leverancier C en als afnemer J is vermeld, klopt dus ook niet. Er was al een overeenkomst tussen J en B voordat de goederen uit Thailand werden uitgevoerd. B heeft bij C de bestelling gedaan, nadat J bij haar de goederen had besteld. Het is juist dat al een terugbetaling van € 266,88 is verleend. De rechtbank heeft in haar uitspraak de inspecteur gelast een hogere terugbetaling te verlenen dan waarop recht bestaat. Het gaat nog om een terugbetaling van per saldo € 881,91. 6. De overwegingen van de Douanekamer 6.1. Belanghebbende heeft, als weergegeven onder de feiten, in de litigieuze douaneaangiften als douanewaarde telkens de transactieprijs gehanteerd welke B aan J in rekening heeft gebracht en zij heeft bij deze aangiften de facturen van B aan J overgelegd waarop deze bedragen als factuurprijs zijn vermeld. Gelet op de feiten en het verhandelde ter zitting en in aanmerking nemende het bepaalde in artikel 147 van de UCDW, moet – zoals de rechtbank in haar overweging 6.5. met juistheid heeft overwogen – worden vastgesteld dat deze facturen op zichzelf kunnen dienen als geldige facturen ter bepaling van de douanewaarde, evenals de facturen van C aan B daarvoor kunnen dienen. 6.2. Ingevolge artikel 71 van het CDW, gelezen in samenhang met artikel 62 van het CDW, vindt de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waaronder goederen zijn geplaatst, plaats aan de hand van de vermeldingen in de aangifte. Nu uit hetgeen onder 6.1. is overwogen volgt dat de door belanghebbende in haar aangiften gehanteerde douanewaarde gebaseerd is op facturen welke voor de vaststelling daarvan kunnen dienen, moet in zoverre worden vastgesteld dat de bij de in geschil zijnde uitnodigingen tot betaling geheven douanerechten ten tijde van de aangiften voor het vrije verkeer rechtmatig geheven zijn. In aanmerking nemende de arresten van het Hof van Justitie van 20 oktober 2005, Overland Footwear Ltd, C-468/03, Jurispr. blz. I-8937 en DR 2006/9* en van 5 oktober 2006, ASM Lithography BV, C-100/05, Jurispr. blz. I-10005, laat deze vaststelling evenwel onverlet dat indien – na toepassing van het bepaalde in artikel 78 van het CDW – wordt vastgesteld dat belanghebbende bij het doen van de aangifte een onbedoelde vergissing heeft begaan, op grond van artikel 236 van het CDW een terugbetaling van douanerechten moet plaatsvinden. 6.3. Anders dan de inspecteur is de Douanekamer van oordeel dat de omstandigheid dat belanghebbende zich in haar onder 1.2. bedoelde verzoekschriften niet uitdrukkelijk heeft beroepen op toepassing van het bepaalde in artikel 78 van het CDW, geen beletsel vormt voor het mede als zodanige verzoeken aanmerken van de overeenkomstig artikel 236 van het CDW ingediende verzoeken om terugbetaling. De Douanekamer verwijst te dezen naar het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004, nr. 39 666 (BNB 2004/364). 6.4. Met de rechtbank is de Douanekamer van oordeel dat belanghebbende bij haar verzoeken om terugbetaling in wezen een beroep op herziening als bedoeld in artikel 78, lid 1, van het CDW heeft gedaan nu zij in de bij de verzoeken gevoegde brieven uitdrukkelijk en – naar ter zitting is komen vast te staan – onder overlegging van de facturen van C aan B, heeft gesteld abusievelijk de facturen van B aan J te hebben overgelegd. De Douanekamer is mitsdien van oordeel dat de inspecteur de verzoeken om terugbetaling had moeten aanmerken als verzoeken om herziening in de zin van artikel 78, lid 1, van het CDW. 6.5. Gelet op het eerdervermelde arrest van het Hof van Justitie van 20 oktober 2005, Overland Footwear Ltd., C-468/03, had de inspecteur, nu de te verifiëren gegevens van de aangifte geen fysieke controle vergden, tot herziening – dat wil zeggen tot het opnieuw onderzoeken – van de aangifte moeten overgaan. 6.6. Bij de onder 6.5. bedoelde herziening was aan het licht gekomen dat de door belanghebbende bij de douaneaangiften gevoegde aangiften DV 1 – waarvan de voeging bij de douaneaangifte ingevolge artikel 62 van het CDW en artikel 178 van de UCDW verplicht is ter bepaling van de bij de douaneaangifte te hanteren douanewaarde – onjuiste gegevens vermelden omtrent de aan de aangiften ten grondslag liggende transacties, welke gegevens bovendien niet overeenkomen met de tevens bij de douaneaangiften gevoegde facturen. Tussen de aangiften DV 1 en de douaneaangiften bestaat derhalve een onverklaarde discrepantie. Hieruit volgt dat – hoezeer de facturen van B aan J op grond van de wetgeving ook kunnen dienen voor de bepaling van de douanewaarde – bij het doen van de aangiften voor het vrije verkeer onjuiste gegevens zijn gehanteerd: dit reeds omdat de aangiften DV 1 in alle gevallen een andere verkoper vermelden dan die welke is genoemd op de bij de douaneaangifte gevoegde facturen. 6.7. Onderzocht dient te worden of de in 6.6. bedoelde onjuiste weergave van gegevens in de aangiften DV 1 ertoe heeft geleid dat de bepalingen inzake de douaneregeling in het vrije verkeer brengen, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast. Dat doet zich – gelet op meervermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie – voor indien het gebruik van de facturen van B aan J bij het doen van de aangiften berustte op een onbedoelde vergissing van belanghebbende. De bewijslast te dezen rust op belanghebbende. 6.8. Met al hetgeen zij heeft aangevoerd, heeft belanghebbende naar het oordeel van de Douanekamer bewezen dat belanghebbende bij het doen van de douaneaangiften bij (onbedoelde) vergissing de facturen van B aan J heeft gehanteerd. Hetgeen de inspecteur daartegenover heeft gesteld, kan aan dit oordeel niet afdoen. Uit het bepaalde in artikel 78, lid 3, van het CDW volgt dat deze vergissing moet worden rechtgezet door bij de bepaling van de douanewaarde gebruik te maken van de facturen welke belanghebbende bij de douaneaangifte en de aangiften DV 1 bedoeld had te hanteren, te weten die van C aan B. Het gebruik van deze facturen leidt tot de vaststelling dat een lager bedrag aan rechten wettelijk verschuldigd is dan aanvankelijk is geheven. 6.9. Nu, naar niet in geschil is, ook overigens voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 236 van het CDW, moet worden geoordeeld dat belanghebbende terecht aanspraak maakt op terugbetaling van het teveel aan rechten dat bij de litigieuze uitnodigingen tot betaling van haar is geheven. 6.10. Bij beschikking van 8 april 2005 heeft de inspecteur belanghebbende reeds terugbetaling verleend van een bedrag van € 266,88. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank in onderdeel 7.3. van haar uitspraak abusievelijk geen rekening gehouden heeft met dit reeds terugbetaalde bedrag en dat belanghebbende – na voormelde beschikking – nog slechts recht heeft casu quo aanspraak maakt op terugbetaling van een bedrag van € 1.148,79 verminderd met de reeds terugbetaalde € 266,88, ofwel € 881,91. 6.11. De slotsom is dat de rechtbank van een juiste waardevaststelling is uitgegaan en als gevolg daarvan terecht tot een aanspraak op terugbetaling heeft geconcludeerd, maar dat het bedrag van de terugbetaling (punt 7.3. van de beslissing van de rechtbank) te hoog is vastgesteld. Dat bedrag moet niet € 1.148,79 maar € 881,91 zijn. Met toepassing van artikel 27o van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zal de uitspraak van de rechtbank wat dat punt betreft worden vernietigd en gecorrigeerd. 7. Proceskosten De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 8. De beslissing De Douanekamer: - verklaart het hoger beroep gegrond; - vernietigt punt 7.3. van de uitspraak van de rechtbank; - gelast de inspecteur aan belanghebbende terugbetaling te verlenen van € 881,91 aan douanerechten; - handhaaft de punten 7.1., 7.2. en 7.4. van de uitspraak van de rechtbank. Aldus vastgesteld op 12 juni 2007 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, en mrs. M.E. van Hilten en H.J. Bronkhorst, leden van de Douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken. De griffier De voorzitter Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.