Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA9168

Datum uitspraak2007-07-04
Datum gepubliceerd2007-07-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/800775-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

De raadkamer van de rechtbank Haarlem geeft ambtshalve toepassing aan artikel 69 Sv, om twee gelijktijdige vervolgingen ter zake van hetzelfde materiële feit te voorkomen.


Uitspraak

SECTOR STRAFRECHT VESTIGING SCHIPHOL BEVEL GEVANGENHOUDING Parketnummer: 15/800775-07 De rechtbank; Gezien de vordering van de officier van justitie, strekkende tot gevangenhouding van: [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te , Z.V.W.O.V.H.T.L., thans verblijvende: Detentiecentrum, HvB Schiphol Oost te Oude Meer; gelet op het tegen de verdachte verleende bevel tot bewaring van 03 juli 2007, welk bevel van kracht is tot 17 juli 2007; gehoord de officier van justitie; gehoord de verdachte; overwegende, dat de rechtbank na onderzoek is gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden, die tot het bevel tot bewaring van verdachte hebben geleid, ook thans nog bestaan; overwegende, in het bijzonder het volgende, De verdachte en zijn medeverdachte zijn op 13 juni 2007 op Schiphol aangehouden op verdenking van medeplegen van uitvoer van een aanzienlijke hoeveelheid materiaal dat MDA of MDMA of amfetamine bevatte. Na inbewaringstelling van de verdachte door de rechter-commissaris is door de raadkamer op 27 juni 2007 voor dit feit de gevangenhouding bevolen, voor de duur van 90 dagen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat na deze datum in een rapport van het Douane laboratorium is vastgesteld dat er geen sprake is van MDA, MDMA of amfetamine, maar dat van de onder de verdachten in beslag genomen 2 substanties de ene substantie fenacetine bevatte en de andere substantie paracetamol en cafeïne bevatte. Verder is door het laboratorium in een volgend rapport verklaard dat de eerstgenoemde substantie een versnijdingmiddel is voor cocaïne en de andere substantie een versnijdingmiddel is voor heroïne. Vervolgens zijn de verdachte en zijn medeverdachte op 3 juli 2007 voorgeleid aan de rechter-commissaris door wie zij rauwelijks in bewaring zijn gesteld wegens het medeplegen van voorbereidingshandelingen van overtreding van artikel 10a Opiumwet. Op 4 juli 2007 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de gevangenhouding zal bevelen voor dit feit. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek van de officier van justitie in te willigen en de gevangenhouding te bevelen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte en zijn medeverdachte ook onder het door de officier van justitie nieuw omschreven feit nog steeds vervolgd worden voor hetzelfde materiële feitencomplex als dat waarvoor zij op 13 juni 2007 zijn aangehouden. Tevens stelt zij vast dat de officier van justitie in dit geval geen toepassing heeft kunnen geven aan artikel 67b Sv, omdat die bepaling uitsluitend kan worden toegepast gelijktijdig met de vordering tot gevangenhouding of bij de verlenging daarvan, maar niet na betekening van de dagvaarding in eerste aanleg. Geen van deze situaties doet zich in deze zaak voor: bij het doen van de vordering tot gevangenhouding op 27 juni 2007 ging de officier van justitie er kennelijk nog van uit dat er een verdenking bestond voor uitvoer van materiaal dat MDA of MDMA of amfetamine bevatte. Aangezien de voorlopige hechtenis is bevolen voor 90 dagen en een zittingsdatum is gepland op 25 september 2007, zal een tussentijdse verlenging van de voorlopige hechtenis voorafgaand aan betekening van de dagvaarding zich evenmin voordoen. Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat het eerste rapport van het laboratorium al op 25 juni 2007 is ontvangen op het parket van de officier van justitie te Schiphol en dat de officier van justitie daarom op de raadkamer gevangenhouding van 27 juni 2007 wist dat er geen sprake was van een verdenking voor uitvoer van materiaal bevattende MDA of MDMA of amfetamine. Daarnaast is door de raadsman betoogd dat het bevel tot gevangenhouding van 27 juni 2007 is verleend voor de duur van 90 dagen terwijl er nu voor een andere omschrijving van hetzelfde materiële feitencomplex andermaal om een gevangenhouding van 90 dagen wordt gevraagd, zodat sprake is van twee gelijktijdige vervolgingen ter zake van hetzelfde materiële feit. Wat het eerste argument van de raadsman betreft stelt de rechtbank voorop dat het bevel gevangenhouding van 27 juni 2007 thans formeel niet ter toetsing voorligt. Ten aanzien van het argument over de dubbele vervolging overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hierboven is vastgesteld kan met het invoeren van de wettelijke mogelijkheid om de voorlopige hechtenis voor 90 dagen te bevelen de vordering als bedoeld in artikel 67b Sv niet meer kan worden gedaan zodra de voorlopige hechtenis daadwerkelijk voor een dergelijke termijn is bevolen. Uit de wetsgeschiedenis kan evenwel niet worden opgemaakt dat de wetgever er bewust voor gekozen zou hebben om een dergelijke wijziging van de vervolgingsgrondslag onder die omstandigheden niet langer mogelijk te laten zijn, zodat het ervoor moet worden gehouden dat een dergelijke mogelijkheid ook nu nog bestaat, zij het niet via de weg van artikel 67b Sv. De rechtbank acht het daarom niet onbegrijpelijk dat de officier van justitie ervoor gekozen heeft om de rechter-commissaris te verzoeken om de verdachte op de nieuwe omschrijving van het feitencomplex rauwelijks in bewaring te stellen en vervolgens zo snel mogelijk voor dit feit de gevangenhouding te vorderen. De officier van justitie heeft ter zitting van 4 juli 2007 betoogd dat de vervolging voor medeplegen van uitvoer van materiaal bevattende MDA of MDMA of amfetamine feitelijk vervalt door toewijzing van de vordering gevangenhouding voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen van overtreding van artikel 10a Opiumwet. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van de officier van justitie, nu toepassing van artikel 67b Sv niet mogelijk is, geen steun vindt in de wet. Het bevel tot voorlopige hechtenis van 27 juni 2007 vervalt niet automatisch door de toewijzing van de vordering gevangenhouding voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen van overtreding van artikel 10a Opiumwet. Voor het bewerkstelligen van het door de officier van justitie beoogde effect is noodzakelijk dat toepassing wordt gegeven aan artikel 69 Sv en het bevel tot voorlopige hechtenis van 27 juni 2007 wordt opgeheven. De rechtbank ziet aanleiding om ambtshalve toepassing te geven aan deze bepaling, zodat geen sprake zal zijn van twee gelijktijdige vervolgingen ter zake van hetzelfde materiële feit. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat het bevel tot voorlopige hechtenis van 27 juni 2007 zeven dagen van kracht is geweest. Om te voorkomen dat de totale duur van de voorlopige hechtenis langer is dan indien wel toepassing gegeven had kunnen worden aan artikel 67b Sv, ziet de rechtbank aanleiding om de totale duur van de voorlopige hechtenis te beperken tot 83 dagen. gelet op de artikelen 65, 66, 67, 67a en 78 Wetboek van Strafvordering; beveelt de gevangenhouding van verdachte voor een termijn van drie en tachtig dagen ingaande op het ogenblik der tenuitvoerlegging en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in een huis van bewaring hier te lande. Aldus gedaan op 04 juli 2007 door: mrs. G.F.H. Lycklama A Nijeholt, voorzitter, M.W. Scholte, rechter, E.A. Minderhoud, rechter, in tegenwoordigheid van H. Brinks, griffier.