Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA9685

Datum uitspraak2007-07-13
Datum gepubliceerd2007-07-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5524 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schatting WAO.


Uitspraak

06/5524 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 10 augustus 2006, kenmerk 06/2412 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 13 juli 2007 I. PROCESVERLOOP Mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn zoals schriftelijk aangekondigd niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door C. van Nood. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 15 april 2004 heeft het Uwv beslist dat appellante per 19 maart 2004 ongewijzigd aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij besluit van 17 november 2004 heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 15 april 2004 gemaakte bezwaar gegrond (lees: ongegrond) verklaard en haar uitkering, met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden, met ingang van 6 december 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij uitspraak van 5 juli 2005, kenmerk 04/5479, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 17 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 10 maart 2006, kenmerk 05/4717, heeft de Raad die uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit en de bij de mate van arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen functies ontmoetten bij de rechtbank geen bezwaar. Appellante bestrijdt de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Haar beroepsgronden komen overeen met de gronden die zij in het eveneens op 1 juni 2007 ter zitting behandelde geding met kenmerk 04/5739 heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De door appellante aangedragen argumenten roepen geen twijfel op aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit en de passendheid in medisch opzicht van de aan dat besluit ten grondslag gelegde uit het CBBS geselecteerde functies. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007. (get.) J. Janssen. (get.) D.W.M. Kaldenhoven.