Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB2506

Datum uitspraak2007-08-29
Datum gepubliceerd2007-08-29
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200700185/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 22 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (hierna: het college) aan appellant bouwvergunning eerste fase verleend voor de plaatsing van een dakverdieping op het perceel [locatie] te Zandvoort (hierna: het perceel).


Uitspraak

200700185/1. Datum uitspraak: 29 augustus 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Zandvoort, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06-3739 van de rechtbank Haarlem van 27 november 2006 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort. 1.    Procesverloop Bij besluit van 22 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (hierna: het college) aan appellant bouwvergunning eerste fase verleend voor de plaatsing van een dakverdieping op het perceel [locatie] te Zandvoort (hierna: het perceel). Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het college, voor zover thans van belang, het daartegen door [belanghebbende] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 22 augustus 2005 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd. Bij uitspraak van 27 november 2006, verzonden op 30 november 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht. [belanghebbende] is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen en heeft bij brief van 27 februari 2007 een reactie ingediend. Bij brief van 7 maart 2007 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 9 juli 2007 heeft [belanghebbende] een nader stuk ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2007, waar appellant, in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.J. Pach, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] daar gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een dakverdieping op een bestaande woning/pension op het perceel. 2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft beslist op grondslag van het bezwaarschrift maar dat het, los van de aangevoerde bezwaren, alsnog strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zandvoort Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) aan de weigering bouwvergunning te verlenen ten grondslag heeft gelegd. 2.2.1.    Door [belanghebbende] is in bezwaar onder meer aangevoerd dat het plaatsen van een dakverdieping op het pension de zon in haar tuin wegneemt en inkijk van gasten van het pension tot gevolg heeft. Deze bezwaren hangen nauw samen met de vraag of de bouwaanvraag voldoet aan de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: de planvoorschriften), met name met artikel 4, negende lid en onder c, dat bepalingen bevat over de hoek van een dakhelling waaraan een bouwplan moet voldoen. Daarbij komt dat, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 2 mei 2007 in zaak no. 200606157/1, de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat in bezwaar niet met zoveel woorden naar voren is gebracht dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, niet betekent dat het college de bij het besluit van 22 augustus 2005 verleende bouwvergunning niet op die grond bij het besluit van 14 februari 2006 mocht herroepen.    Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank voorts met juistheid overwogen dat het besluit van 14 februari 2006 niet een oneigenlijk gebruik van de bevoegdheid van het college tot intrekking van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 59 van de Woningwet inhoudt omdat één van de functies van de bezwaarprocedure is het herstellen van fouten die in de primaire fase zijn gemaakt.    Het betoog van appellant faalt.     2.3.    Het bouwplan is in strijd met artikel 4, negende lid en onder c, van de planvoorschriften. Aan de voorwaarden voor vrijstellingverlening op grond van artikel 4, zestiende lid en onder a, wordt niet voldaan. 2.4.    Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Appellant heeft, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan appellant het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen. 2.5.    Appellant betoogt tenslotte dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO te verlenen in planologisch opzicht niet steunt op een deugdelijke motivering. 2.5.1.    Dit betoog slaagt evenmin. Aan de weigering vrijstelling te verlenen, heeft het college ten grondslag gelegd dat artikel 4, zestiende lid en onder a, van de planvoorschriften reeds een ruime vrijstellingsmogelijkheid biedt en het bouwplan niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing daarvan. Het acht een verdergaande afwijking van het bestemmingsplan niet gewenst omdat dit afbreuk doet aan dat plan waarin, vanwege het specifieke Zandvoortse karakter, rekening is gehouden met de beeldkwaliteit van het gebied. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat die motivering ondeugdelijk is.    Voor de stelling van appellant dat het college ten onrechte de weigering vrijstelling te verlenen, heeft gebaseerd op overwegingen betreffende de welstand bestaat, gezien het vorenoverwogene, eveneens geen grond. 2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat. w.g. Slump    w.g. Huijben Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2007 313-552.