Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB4108

Datum uitspraak2008-01-29
Datum gepubliceerd2008-01-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02812/06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 184 Sr en art. 2 Politiewet 1993. Art 184.1 Sr eist een “krachtens wettelijk voorschrift” gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184.1 Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184.1 Sr kan opleveren.


Conclusie anoniem

Nr. 02812/06 Mr Machielse Zitting 4 september 2007 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 6 september 2006 voor "Opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten" veroordeeld tot het betalen van een geldboete van EUR 60,-, subsidiair één dag hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. 2. Mr. E. Th. Hummels, advocaat te Zeist, heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. 3.1 Het eerste middel klaagt erover dat er geen sprake kan zijn geweest van een rechtsgeldig politiebevel, nu de desbetreffende politieambtenaar slechts uit naam van de rechthebbende en met onjuist gebruik van zijn bevoegdheden heeft gehandeld. Voorts is het oordeel van het hof dat de politieambtenaar dit bevel kon stoelen op art. 2 Politiewet 1993 onjuist en heeft het hof de betekenis van art. 138 Sr miskend, aldus de steller van het middel. 3.2. Ter verduidelijking schets ik eerst kort de gang van zaken. De verdachte maakte deel uit van een actiegroepje dat zich bevond op het terrein van een voormalig, leegstaand schoolgebouw. Deze school zou worden gekraakt. De eigenaar van de grond en de gebouwen heeft de krakers in spe gesommeerd het terrein te verlaten. De sommatie van de eigenaar werd kracht bij gezet door een vordering van politie-inspecteur [verbalisant 1]. De krakers verlieten vervolgens het terrein, maar de verdachte stapte terug het terrein op en verzocht de politieagent hem te arresteren, hetgeen prompt geschiedde. 3.3. Door en namens de verdachte is de bevoegdheid van de politieagent een dergelijke vordering te doen, betwist. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte het volgende verklaard: "U vraagt mij naar de gebeurtenissen op 23 mei 2004 aan de [a-straat] te [plaats]. We waren daar met ongeveer 12, 13 mensen. Ik was daar vanaf half elf 's ochtends. Om half twaalf kwam de politie. Ze kwamen pas nadat ik ze al twintig minuten had geprobeerd te bellen. Ik wilde de politie bellen om hen in kennis te stellen dat we van plan waren de oude school aan de [a-straat 1] te kraken. De telefoon werd echter niet opgenomen en ik werd in de wachtrij geplaatst. Een buurman die toevallig bij de politie werkte heeft toen de politie van de kraking in kennis gesteld. Het klopt dat ik, nadat verbalisant [verbalisant 1] van mij had gevorderd het terrein te verlaten, het terrein weer ben opgelopen. Ik wilde aantonen dat de vordering van de politie onredelijk was. [Getuige 1] heeft gezegd dat hij mij niet aardig vond. [Getuige 1] heeft niet van mij gevorderd om weg te gaan. Hij had niet het recht mij weg te sturen. De verklaring van [getuige 1] die in het proces-verbaal is opgenomen, heeft hij pas maanden later afgelegd. [Getuige 1] had het erf niet in gebruik en kon mij dus niet vorderen daar weg te gaan." Blijkens een aan het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting gehechte pleitnota heeft de advocaat van verdachte betoogd dat er geen ambtelijk bevel is geweest maar slechts een sommatie door de politie namens de rechthebbende op grond van artikel 138 Sr, welke, zo begrijp ik de woorden van de advocaat, niet mocht worden gegeven omdat de school niet feitelijk in gebruik was. Het hof heeft het verweer als volgt verworpen: "Inspecteur van politie [verbalisant 1] heeft de gegeven vordering, nadat de eigenaar verdachte vruchteloos had gesommeerd het - hem in eigendom toebehorende - terrein te verlaten, kunnen baseren op artikel 2 van de Politiewet 1993." 3.4. Art. 2 Politiewet 1993 luidde ten tijde van het feit en luidt nog steeds: "De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven." 3.5. Reeds in 1917 werd al als taak van de politie beschouwd niet alleen het opsporen en constateren van overtredingen van wettelijke strafbepalingen, doch ook het door gepaste middelen verzekeren van de naleving daarvan. In die casus "hielp" een rijksveldwachter een herbergier een bezoeker, die na sluitingstijd de herberg niet wilde verlaten, uit de herberg te verwijderen.(1) Een persoon die zich in een klooster bevond en weigerde het bevel van de overste om zich te verwijderen op te volgen werd door politieagenten vastgepakt en het klooster uitgezet. Ook hier traden de agenten rechtmatig op. Door hun optreden verzekerden zij de naleving van het wettelijk voorschrift waarvan zij de overtreding wilden doen ophouden.(2) De politie verleent tevens hulp en steun aan deurwaarders die een ontruimingsvonnis willen uitvoeren.(3) De bevoegdheid van de politie om op te treden dient wel op een wettelijk voorschrift te berusten.(4) Mijn ambtgenoot mr. Vellinga heeft in zijn conclusie vóór HR 23 januari 2007, LJN AZ3880 de reikwijdte van art. 2 Politiewet 1993 uiteengezet. Zijn conclusie luidt dat de taakomschrijving van de politie in art. 2 Politiewet 1993 uiteenvalt in drie delen, te weten a. handhaving van de openbare orde, b. strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en c. hulpverlening aan hen die hulp nodig hebben. 3.6. De steller van het middel bedoelt kennelijk om aan te voeren dat er geen wettelijk voorschrift is aan te wijzen dat aan de eigenaar van het gebouw de bevoegdheid gaf aan personen die zich op het schoolterrein bevonden, te bevelen zich te verwijderen en dat de politie dus evenmin een afgeleide bevoegdheid had. De handelwijze van de eigenaar van de school was volgens de steller van het middel daarom in strijd met het geldende recht. De steller van het middel concentreert zich in dit verband op de artikelen 138 en 429sexies Sr. Het schoolterrein was geen besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, en evenmin was er nog sprake van gebruik door de rechthebbende in de 12 maanden die voorafgingen. Daarom had het bevel geen basis in het recht en behoefde verdachte niet aan dat het bevel te voldoen. 3.7. Aldus ziet de steller van het middel over het hoofd dat de eigenaar van de grond en de gebouwen heeft verklaard dat de krakers, toen zij buiten op het terrein bleven staan, door hem gesommeerd zijn zich te verwijderen. Dat bevel is door de politie overgenomen en verdachte is blijven staan. Aldus overtrad verdachte art. 461 Sr, dat de volgende inhoudt heeft: "Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie." Art. 461 Sr is niet alleen van toepassing op terreinen die afgesloten zijn of waar borden "verboden toegang" zijn geplaatst, maar ook op terreinen waarvan de eigenaar aan de persoon die zich daarop bevindt persoonlijk aanzegt dat hem de toegang verboden is.(5) Het bevel dat politie-inspecteur [verbalisant 1] aan verdachte gaf had de strekking aan het door art. 461 Sr verboden gedrag van verdachte een einde te maken, en was daarmee gebaseerd op art. 2 Politiewet. Het oordeel van het hof dat het bevel rechtsgeldig is gegeven en kon worden gestoeld op art. 2 Politiewet 1993 geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt. 4.1. Het tweede middel richt zich tegen de strafmotivering. Deze strafmotivering houdt in: "De voorzitter heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De voorzitter heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft niet voldaan aan een vordering van een bevoegd politieambtenaar. Verdachte heeft daarmee het gezag van de politie willen aantasten. Gelet echter op de beperkte ernst van het feit en het principiële karakter van verdachtes beroep, acht de voorzitter het opleggen van een voorwaardelijke geldboete passend en geboden. Gelet op de ouderdom van het feit zal de voorzitter de proeftijd vaststellen op een termijn van één jaar." 4.2. De steller van het middel valt over de zin dat de verdachte het gezag van de politie heeft willen aantasten. Verdachte was immers, aldus de steller van het middel, juist een slachtoffer van onrechtmatig politieoptreden. Dat deze stelling geen hout snijdt volgt mijns inziens uit mijn bespreking van het eerste middel. De strafmotivering is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt. 5. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Een andere grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. 6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 HR 19 maart 1917, Weekblad van het recht, nr. 10108. 2 HR 12 november 1963, NJ 1964, 205. 3 HR 25 juni 2002, NJ 2002, 568. Zie ook HR 23 januari 2007, NJ 2007, 94 en HR 23 januari 2007, LJN AZ0277 (nr. 03342/05, niet gepubliceerd); assistentie door de politie bij het ruimen van pluimvee. 4 HR 23 januari 2007, LJN AZ3880; HR 24 april 2007, LJN AZ3309. 5 HR 3 januari 1938, NJ 1938, 573.


Uitspraak

29 januari 2008 Strafkamer nr. 02812/06 SM/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 september 2006, nummer 24/000487-06, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 27 februari 2006 - de verdachte ter zake van "opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten" veroordeeld tot een geldboete van zestig euro, subsidiair één dag hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat de vordering van de politieambtenaar niet krachtens een wettelijk voorschrift is gedaan. 3.2.1. Het Hof heeft overeenkomstig hetgeen subsidiair is tenlastegelegd, bewezenverklaard dat: "hij op 23 mei 2004, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 2 van de Politiewet 1993 gedaan door de inspecteur van politie [verbalisant 1], die was belast met de uitoefening van enig toezicht en die was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar van hem had gevorderd dat hij, verdachte zich moest verwijderen, geen gevolg gegeven aan die vordering." 3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]: "Ik ben de eigenaar van de grond en de gebouwen gelegen aan en op het perceel [a-straat 1] te [plaats]. Ik ben op 23 mei 2004 door iemand gebeld dat de school (naar de voorzitter begrijpt: aan de [a-straat 1] te [plaats]) werd gekraakt. Ik ben toen ter plaatse gegaan. Ik zag dat de politie daar ook was. De krakers zijn het pand uit gegaan. Ik zag dat de krakers buiten op het terrein bleven staan. Ik heb hen gesommeerd om zich van het terrein te verwijderen. Hierna heeft een politieagent dit ook nog gevraagd. Ik zag dat een man bleef staan. De man werd aangehouden." b. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant: "Op 23 mei 2004 bevond ik mij op het terrein rondom het perceel [a-straat 1] te [plaats]. Ter plaatse was eveneens de eigenaar van genoemd perceel aanwezig. Tevens zag ik, verbalisant, een tiental personen op dat terrein staan. Ik, verbalisant, hoorde dat de eigenaar tegen deze personen zei: 'Jullie moeten nu weggaan, ik heb genoeg last van jullie gehad.' Ik zag toen dat die personen, waaronder de later aangehouden [verdachte], niet aan deze vordering voldeden. Ik, verbalisant, heb toen de volgende vordering gedaan: 'Ik vorder van jullie uit naam van de eigenaar, dat jullie je van dit terrein verwijderen. Indien jullie niet aan deze vordering voldoen, worden jullie aangehouden', althans woorden van gelijke strekking. De later aangehouden [verdachte] bleef op het randje van het terrein staan. Vervolgens zag ik, dat hij een stap naar voren deed, het terrein weer op, en ik hoorde dat hij zei: 'Arresteer me dan maar.' Hierna werd hij aangehouden." c. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende: "U vraagt mij naar de gebeurtenissen op 23 mei 2004 aan de [a-straat] te [plaats]. We waren daar met ongeveer 12, 13 mensen. Ik was daar vanaf half elf 's ochtends. Het klopt dat ik, nadat verbalisant [verbalisant 1] van mij had gevorderd het terrein te verlaten, het terrein weer ben opgelopen." 3.2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt als verklaring van de verdachte onder meer het volgende in: "De uitspraak van de politierechter was tweeledig. Ik ben vrijgesproken voor de primair ten laste gelegde erfvredebreuk, aangezien een tuin bij een leegstaand gebouw niet kan worden aangemerkt als een erf. Je kunt dan niet zomaar worden weggestuurd. Naar mijn mening had ik echter ook moeten worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde. Ik wilde slechts de oude school aan de [a-straat 1] behouden. Mijn beroep is gericht tegen de bewezenverklaring. (...) U vraagt mij naar de gebeurtenissen op 23 mei 2004 aan de [a-straat] te [plaats]. We waren daar met ongeveer 12, 13 mensen. Ik was daar vanaf half elf 's ochtends. Om half twaalf kwam de politie. Ze kwamen pas nadat ik ze al twintig minuten had geprobeerd te bellen. Ik wilde de politie bellen om hen in kennis te stellen dat we van plan waren de oude school aan de [a-straat 1] te kraken. De telefoon werd echter niet opgenomen en ik werd in de wachtrij geplaatst. Een buurman die toevallig bij de politie werkte heeft toen de politie van de kraking in kennis gesteld. Het klopt dat ik, nadat verbalisant [verbalisant 1] van mij had gevorderd het terrein te verlaten, het terrein weer ben opgelopen. Ik wilde aantonen dat de vordering van de politie onredelijk was. [Getuige 1] heeft gezegd dat hij mij niet aardig vond. [Getuige 1] heeft niet van mij gevorderd om weg te gaan. Hij had niet het recht mij weg te sturen. De verklaring van [getuige 1] die in het proces-verbaal is opgenomen, heeft hij pas maanden later afgelegd. [Getuige 1] had het erf niet in gebruik en kon mij dus niet vorderen daar weg te gaan." 3.2.4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd: "Cliënt kan zich met dat vonnis niet verenigen. Hij heeft daarom appèl ingesteld. Cliënt is van oordeel dat hij terecht is vrijgesproken van de primair tenlastegelegde overtreding van art. 138 Sr. Cliënt is echter tevens van oordeel dat hij ten onrechte is veroordeeld terzake de subsidiair tenlastegelegde weigering ambtelijk bevel. Er is geen ambtelijk bevel geweest. Er is enkel door de politie namens de rechthebbende een art. 138 Sr-sommatie gegeven. Door te oordelen als hij heeft gedaan heeft de Politierechter de betekenis van art. 184 Sr miskend." 3.2.5. Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen: "Inspecteur van politie [verbalisant 1] heeft de gegeven vordering, nadat de eigenaar verdachte vruchteloos had gesommeerd het - hem in eigendom toebehorende - terrein te verlaten, kunnen baseren op artikel 2 van de Politiewet 1993." 3.3.1. Art. 184, eerste lid, Sr luidt als volgt: "Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie." 3.3.2. Art. 2 Politiewet 1993 luidt als volgt: "De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven." 3.4. Het oordeel van het Hof dat de onderhavige vordering kan worden gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 184, eerste lid, Sr eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Daarbij verdient echter opmerking dat art. 2 Politiewet 1993 wel als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren. 3.5. Het middel is derhalve terecht voorgesteld. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak; wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 29 januari 2008.