Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB4260

Datum uitspraak2007-09-04
Datum gepubliceerd2007-09-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers20-001746-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

“Dunning” in de zin van de Boswet. Het hof verwerpt het verweer dat sprake zou zijn van dunning in de zin van de Boswet, nu de in de tenlastelegging bedoelde houtopstand niet uitsluitend is geveld als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand. Strafmaat.


Uitspraak

Parketnummer : 20-001746-06 Uitspraak : 4 september 2007 TEGENSPRAAK Gerechtshof 's-Hertogenbosch economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de Rechtbank Maastricht van 19 april 2006 in de strafzaak met parketnummer 03-082080-04 tegen: [VERDACHTE], statutair gevestigd te [plaats], [adres]. Hoger beroep De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd, dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van EUR 250,-. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 8 april 2004 te Nieuwenhagen, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, op een perceel grond, kadastraal bekend gemeente Nieuwenhagen, sectie B 07114, een houtopstand, bestaande uit vijf dan wel vier esdoornen, heeft geveld of doen vellen anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een daaraan voorafgaande tijdige kennisgeving, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Boswet, was gedaan. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij in de periode van 1 april 2004 tot en met 8 april 2004 te Nieuwenhagen, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, op een perceel grond, kadastraal bekend gemeente Nieuwenhagen, sectie B 07114, een houtopstand, bestaande uit vier esdoornen, heeft geveld anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een daaraan voorafgaande tijdige kennisgeving, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Boswet, was gedaan. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, kort samengevat, betoogd dat het vellen van de vier in de tenlastelegging bedoelde esdoornen moet worden aangemerkt als dunning in de zin van de Boswet. Het hof begrijpt dit verweer aldus, dat in de visie van de verdediging het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Blijkens artikel 1, eerste lid, van de Boswet moet onder dunning worden verstaan: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, - zakelijk weergegeven - dat de vier esdoornen zijn geveld, omdat een buurtbewoner, de heer [getuige], had geklaagd dat deze bomen of delen daarvan bij harde wind op zijn bebouwing terecht konden komen. Uit deze verklaring blijkt dat de bedoelde esdoornen niet uitsluitend zijn geveld als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand. Van dunning in de zin van de Boswet is dan ook geen sprake. Het verweer wordt daarom verworpen. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 2, derde lid, van de Boswet junctis de artikelen 1a, aanhef en onder 2, en 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten en strafbaar gesteld bij artikel 6, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wet op de economische delicten junctis de artikelen 47, eerste lid, aanhef en onder 1, en artikel 51, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straf of maatregel Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Bij de bepaling van de hoogte van de strafmaat heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 5 juli 2007 reeds meermalen ter zake van overtredingen van de Boswet is veroordeeld. Naar het oordeel van het hof kan daarom niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal is gevorderd. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op artikel 2 van de Boswet, de artikelen 23, 24, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Boswet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon Verklaart verdachte deswege strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro). Aldus gewezen door mr. H. Harmsen, voorzitter, mr. A. de Lange en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend, in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier, en op 4 september 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.