Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB4777

Datum uitspraak2007-09-21
Datum gepubliceerd2007-10-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/4310 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afzien van terugvorderingsplicht. Dringende reden.


Uitspraak

05/4310 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appelllant], tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 juni 2005, 04/2264 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 21 september 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld en een aanvullend stuk ingezonden. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. II. OVERWEGINGEN De Raad neemt als vaststaand aan de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit van 28 september 2004 (hierna: bestreden besluit), inzake de terugvordering van uitkering over de periode van 26 september 2003 t/m 31 maart 2004 krachtens artikel 57 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), in rechte stand kan houden. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat het Uwv ten onrechte heeft geoordeeld dat dringende redenen om van terugvordering af te zien zich hier niet hebben voorgedaan. Gesteld is dat de uitbetaling van appellants uitkering maanden uitbleef, waardoor hij in geldnood kwam en schulden moest maken om in zijn levensonderhoud te voorzien. Voorts is aangevoerd dat appellant door de impact van zijn ziekte niet in staat was om zijn belangen te behartigen, waarbij de verwarrende betaalspecificaties het voor hem ook niet inzichtelijk maakte. Dit viel aldus appellant samen met de chemotherapie met zware bijverschijnselen, complicaties en een noodzakelijke bloedtransfusie. Door appellant is herhaald dat het oordeel van de Uwv enkel is gebaseerd op de onderzoeksbevindingen van de bezwaarverzekeringsarts die op basis van dossieronderzoek heeft geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van psychische klachten, dan wel verstandelijke beperkingen. Uit de overgelegde verklaring van de huisarts C.J. Kouters blijkt dat appellant in 2003 een non-hodgkin lymfoom had en chemokuurbehandeling heeft ondergaan waardoor hij depressief was en niet in staat was zijn belangen te behartigen. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 57, eerste lid, van de WAO is het Uwv verplicht de uitkering die onverschuldigd is betaald, terug te vorderen. Slechts indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan, aldus het bepaalde in het vierde lid van artikel 57 van de WAO, het Uwv beslissen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Niet in geding is dat het Uwv onverschuldigde voorschotten heeft betaald als gevolg van het abusievelijk te hoog vaststellen van het voorschot bedrag. Het Uwv was derhalve verplicht om tot terugvordering van deze onverschuldigd betaalde bedragen over te gaan behoudens de aanwezigheid van dringende redenen. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen zoals bedoeld in artikel 57 van de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die voor betrokkene als gevolg van terugvordering optreden. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hoofdregel gerechtvaardigd zijn. De Raad overweegt anders dan de rechtbank, dat voorafgaande aan de beslissing, om geen dringende reden aan te nemen op grond waarvan van gehele of gedeeltelijke terugvordering kan zijn afgezien, onvoldoende is uitgezocht in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van onaanvaardbaarheid van de sociale gevolgen voor appellant. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts zonder appellant te onderzoeken en zonder zijn oordeel te voorzien van enige motivering heeft geoordeeld dat er geen sprake was van psychische klachten of verstandelijke beperkingen. Naar het oordeel van de Raad had de informatie van de huisarts aanleiding moeten geven tot nader onderzoek naar de gezondheidstoestand en de sociale omstandigheden van appellant ten tijde van de afgifte van het besluit tot terugvordering. Immers gelet op deze informatie en de in het dossier voorhanden gegevens, kan de Raad niet uitgesloten achten dat de ziekte, alsmede de ondergane chemokuurbehandelingen en de financiële positie van appellant welke samenvielen in een periode waarin het besluit tot terugvordering is afgegeven, een onaanvaardbare psychische lijdensdruk bij appellant hebben teweeggebracht. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting van de zijde van het Uwv is erkend dat de bezwaarverzekeringsarts zich niet had mogen beperken tot dossieronderzoek. Tevens is van de kant van het Uwv aangegeven dat bij de afweging om tot terugvordering over te gaan de schuldpositie van appellant niet geheel duidelijk was. Immers, wel bekend was dat appellant schulden had maar met het feit dat appellant een periode geen inkomen heeft gehad is geen rekening gehouden. Op grond van het hiervoor overwogene moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet op een toereikend onderzoek berust, zodat dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten moet eveneens worden vernietigd. De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 september 2007. (get.). D.J. van der Vos. (get.) A. Palmboom. JL