bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB8620

Datum uitspraak2007-09-11
Datum gepubliceerd2007-11-26
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2007/240
Statusgepubliceerd


Indicatie

De praktijkregels [voor curatoren] zelf houden uitdrukkelijk in dat zij slechts beogen richting te geven en geen dwingend karakter hebben en ook Tycho onderschrijft dat in de op deze grief gegeven toelichting. Daar voegt zij echter aan toe dat de praktijkregels een vastlegging zijn van wat in kringen van curatoren als heersende leer geldt en van de gebruikelijke normen en waarden die curatoren in hun werk toepassen. Dat acht het hof juist, maar niet juist acht het de door Tycho daaraan verbonden gevolgtrekking dat de praktijkregels gezien kunnen worden als een soort gewoonterecht en dat zij een invulling geven aan de zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. In de praktijkregels kunnen (en zullen) zeker normen voorkomen die ook als rechtens geldend moeten worden beschouwd, maar die gelding ontlenen zij niet aan de praktijkregels doch aan de in de samenleving heersende rechtsopvattingen omtrent hetgeen maatschappelijk betamelijk is. Regels die door curatoren gebruikelijk worden nageleefd (wat nog niet eens noodzakelijkerwijs impliceert dat ze door curatoren ook als rechtsregels gezien worden), kunnen niet uit dien hoofde gelden als algemene rechtsregels die ook derden (zoals bijvoorbeeld Fisser B.V.) zich moeten laten tegenwerpen en waaraan ook derden (zoals bijvoorbeeld Tycho) rechten kunnen ontlenen. De inhoud van de praktijkregels kan dan ook niet meer en zal soms aanmerkelijk minder zijn dan een aanwijzing voor wat een curator rechtens heeft te doen of na te laten. Een exacte afgrenzing van situaties waarop de praktijkregels wel of juist ook niet “toepasselijk” zijn, is daarom niet mogelijk en is evenmin nodig. Zo heeft ook Tycho zelf in eerste aanleg terecht betoogd dat niet van doorslaggevend belang is dat de praktijkregels eerst zijn vastgesteld in 2004 en dus ver na het ogenblik waarop de curator aan Fisser B.V. inzage heeft verstrekt. Het hof verenigt zich daarom met de door deze grief aangevallen overweging van de rechtbank omtrent de praktijkregels, namelijk dat deze slechts beogen richting te geven en geen dwingend karakter hebben.


Uitspraak

11 september 2007 eerste civiele kamer rolnummer 2007.00240 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Arrest in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tycho B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, procureur: mr J.M. Bosnak, tegen: mr [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], zowel uit eigen hoofde als in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rodrez B.V., geïntimeerde, procureur: mr F.P. Lomans. 1 Het geding in eerste aanleg Voor de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de inhoud van het vonnis van 18 oktober 2006 dat de rechtbank Almelo tussen appellante (hierna aan te duiden als Tycho) als eiseres en geïntimeerde (hierna aan te duiden als de curator) als gedaagde heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Tycho heeft bij exploten van 17 januari 2007 aangezegd van dat vonnis in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de curator voor dit hof. 2.2 Bij memorie van grieven heeft Tycho acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de curator zal veroordelen tot al hetgeen in eerste instantie is gevorderd alsmede in de proceskosten van beide instanties, een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad. 2.3 Bij memorie van antwoord heeft de curator zowel voor zich als in zijn hoedanigheid de grieven bestreden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen met veroordeling van Tycho in de kosten van het hoger beroep. 2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. 3 De vaststaande feiten 3.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen als zodanig geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. 3.2 Op grond van hetgeen verder is gesteld en niet of onvoldoende weersproken, kan daaraan nog worden toegevoegd dat de curator het in de brief van 20 december 2002 gedane verzoek heeft ingewilligd. Hij heeft Fisser B.V. inzage verleend in de administratie van Rodrez B.V. en heeft toegelaten dat zij van een of meer stukken daaruit afschrift nam. 4 De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Grief 2 klaagt erover dat de rechtbank onder 7 heeft overwogen dat de Praktijkregels voor Curatoren van de Vereniging Insolventierecht Advocaten (hierna: de praktijkregels) beogen slechts richting te geven en dat daaraan geen dwingend karakter toekomt zodat in het midden kan blijven of zij al dan niet van toepassing waren. Omdat Tycho zich ook in de op verschillende andere grieven gegeven toelichtingen beroept op de praktijkregels, zal het hof eerst deze grief bespreken. 4.2 De praktijkregels zelf houden uitdrukkelijk in dat zij slechts beogen richting te geven en geen dwingend karakter hebben en ook Tycho onderschrijft dat in de op deze grief gegeven toelichting. Daar voegt zij echter aan toe dat de praktijkregels een vastlegging zijn van wat in kringen van curatoren als heersende leer geldt en van de gebruikelijke normen en waarden die curatoren in hun werk toepassen. Dat acht het hof juist, maar niet juist acht het de door Tycho daaraan verbonden gevolgtrekking dat de praktijkregels gezien kunnen worden als een soort gewoonterecht en dat zij een invulling geven aan de zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. In de praktijkregels kunnen (en zullen) zeker normen voorkomen die ook als rechtens geldend moeten worden beschouwd, maar die gelding ontlenen zij niet aan de praktijkregels doch aan de in de samenleving heersende rechtsopvattingen omtrent hetgeen maatschappelijk betamelijk is. Regels die door curatoren gebruikelijk worden nageleefd (wat nog niet eens noodzakelijkerwijs impliceert dat ze door curatoren ook als rechtsregels gezien worden), kunnen niet uit dien hoofde gelden als algemene rechtsregels die ook derden (zoals bijvoorbeeld Fisser B.V.) zich moeten laten tegenwerpen en waaraan ook derden (zoals bijvoorbeeld Tycho) rechten kunnen ontlenen. De inhoud van de praktijkregels kan dan ook niet meer en zal soms aanmerkelijk minder zijn dan een aanwijzing voor wat een curator rechtens heeft te doen of na te laten. Een exacte afgrenzing van situaties waarop de praktijkregels wel of juist ook niet “toepasselijk” zijn, is daarom niet mogelijk en is evenmin nodig. Zo heeft ook Tycho zelf in eerste aanleg terecht betoogd dat niet van doorslaggevend belang is dat de praktijkregels eerst zijn vastgesteld in 2004 en dus ver na het ogenblik waarop de curator aan Fisser B.V. inzage heeft verstrekt. 4.3 Het hof verenigt zich daarom met de door deze grief aangevallen overweging van de rechtbank omtrent de praktijkregels, namelijk dat deze slechts beogen richting te geven en geen dwingend karakter hebben. Grief 2 faalt. 4.4 Grief 1 maakt er bezwaar tegen dat de rechtbank in rechtsoverweging 7 een onderscheid maakt tussen actief en passief handelen van de curator bij het verstrekken van informatie aan derden, waarmee kennelijk bedoeld wordt het op eigen initiatief dan wel desgevraagd verstrekken van informatie. Het hof acht het door de rechtbank gemaakte onderscheid echter niet onjuist. De vraag wat in het maatschappelijk verkeer betaamt, dient met inachtneming van alle omstandigheden van het geval te worden beantwoord en niet valt in te zien waarom niet ook een rol zou kunnen worden gespeeld door de omstandigheid dat een curator een van hem verzochte medewerking verleent dan wel dat hij zelf een initiatief neemt. Dat de praktijkregels dat onderscheid niet maken en gelijkelijk op actieve en op passieve informatieverstrekking betrekking hebben, zoals de toelichting op de grief betoogt, doet daaraan ingevolge hun slechts richtinggevende en niet dwingende karakter niet af. 4.5 Volgens de grieven 3 en 4 heeft de rechtbank ten onrechte van belang geacht of de curator ook als getuige opgeroepen had kunnen worden om gehoord te worden over mogelijk in de administratie van Rodrez aanwezige klantenlijsten van Fisser B.V., onderscheidenlijk of Fisser B.V. via artikel 843a Rv inzage of afschrift van bepaalde bescheiden had kunnen afdwingen. Blijkens de toelichting op deze grieven baseert Tycho deze daarop dat, als de curator de van hem gevraagde medewerking geweigerd zou hebben, zijn oproeping als getuige zeer onwaarschijnlijk zou zijn geweest en een beroep van Fisser B.V. op artikel 843a Rv niet geslaagd zou zijn omdat deze de door haar gewenste stukken niet met voldoende bepaaldheid zou hebben kunnen aanduiden. 4.6 Dit betoog van Tycho gaat niet op. Wat de rechtbank kennelijk bedoelde te zeggen is dat Fisser B.V. door oproeping van de curator als getuige of door een beroep op artikel 843a Rv rechtens de door haar verlangde medewerking had kunnen afdwingen zonder dat de curator daartegen een beroep op een geheimhoudingsverplichting open had gestaan. Dat Fisser B.V. daarbij op praktische problemen zou zijn gestuit doet niet terzake. Het is wel mogelijk dat de curator feitelijk de mogelijkheid had om Fisser B.V. in het verzamelen van bewijsmateriaal (waarvan de juistheid door Tycho op geen enkele manier is bestreden) te dwarsbomen, maar niet valt in te zien waarom hij daartoe verplicht zou zijn geweest. De gedachte dat hij aldus van een feitelijke machtspositie misbruik gemaakt zou hebben en onrechtmatig jegens Fisser B.V. gehandeld zou hebben, acht het hof meer voor de hand liggend. 4.7 Ook het betoog dat het de curator niet vrijgestaan zou hebben vrijwillig te doen waartoe hij (wellicht feitelijk niet, maar rechtens wel) gedwongen had kunnen worden, omdat “de wetgever … er immers voor gekozen (heeft) om het verkrijgen van bepaalde informatie plaats te laten hebben onder toezicht van de rechterlijke macht” faalt. De wetgever heeft er niet voor gekozen die informatieverstrekking te laten plaats hebben onder toezicht van de rechterlijke macht, hij heeft ervoor gekozen die informatieverstrekking indien zij niet vrijwillig geschiedt, te laten plaats hebben onder dwang van de rechterlijke macht. De vergelijking met iemand die aan een geheimhoudingsbeding gebonden is, maar als getuige toch zal moeten verklaren, gaat niet op: de curator was niet aan een geheimhoudingsbeding gebonden. Ook de grieven 3 en 4 moeten daarom worden verworpen. 4.8 In rechtsoverweging 8 overwoog de rechtbank dat de wetgever weliswaar het inzagerecht heeft beperkt, maar dat zulks de bevoegdheid van de curator onverlet laat om inzage aan derden te verstrekken indien hem dat bij afweging van de belangen geraden voorkomt. Daartegen voert grief 5 aan dat juist voor deze situatie de praktijkregels op schrift zijn gesteld. Die praktijkregels bepalen dat zeer beperkt inzage moet worden gegeven en dat het niet de bedoeling is dat crediteuren informatie gaan gebruiken voor privébelangen. 4.9 Ook dit betoog faalt. De praktijkregels manen de curator slechts tot terughoudendheid bij het verstrekken van informatie als daartoe geen wettelijke verplichting bestaat en het niet door het belang van de boedel of een zwaarwegend maatschappelijk belang gevorderd wordt. Dat derden die informatie niet voor eigen (mits, zoals in dit geval, te respecteren) belangen zouden mogen gebruiken, valt niet in te zien. Het hof is van oordeel dat de curator de praktijkregels (nog daargelaten hun slechts richtinggevende en niet dwingende karakter) in acht genomen heeft. Het is als een zwaarwegend maatschappelijk belang te beschouwen dat in het burgerlijk geding de relevante feiten zo goed mogelijk kunnen worden vastgesteld en dat de waarheidsvinding niet door het wegmaken of verborgen houden van bewijsmateriaal (nogmaals: waarvan de deugdelijkheid door Tycho op geen enkele wijze is bestreden) wordt gesaboteerd. En, al ware hier niet van een zwaarwegend maatschappelijk belang te spreken, dan nog is het hof van oordeel dat de curator niet gezegd kan worden onvoldoende terughoudend te zijn geweest: hij heeft zijn medewerking eerst verleend nadat hem het rechtmatig belang van Fisser B.V. genoegzaam was uitgelegd. In dat verband is nog van belang dat uit de stukken (waaronder de verklaring van [A.]) naar voren komt dat er heel concrete aanwijzingen waren omtrent van Fisser B.V. afkomstige stukken die bij de gefailleerde onderneming terecht gekomen waren. Het verwijt tenslotte dat de curator onvoldoende maatregelen heeft genomen om misbruik van de door hem beschikbaar gestelde informatie te voorkomen, is niet terzake dienende. Die informatie is immers niet misbruikt, maar aangewend voor het doel waarvoor ze bestemd was, namelijk voor de waarheidsvinding in het geding tussen Fisser B.V. en Tycho. Dat de gevonden waarheid voor Tycho onprofijtelijk was, doet daar niet aan af. 4.10 Grief 6 keert zich tegen het in rechtsoverweging 8 uitgesproken oordeel dat het handelen van de curator geen nadeel aan Tycho kon toebrengen. Dat oordeel is in zoverre juist en de grief dus in zoverre ongegrond dat dat handelen er niet toe heeft geleid en ook niet valt in te zien hoe het ertoe had kunnen leiden dat Tycho een boete verbeurde. Wel kan het ertoe geleid of bijgedragen hebben dat het verbeurd zijn van die boete in rechte kon worden vastgesteld. Dat kan gezien worden als een nadeel voor Tycho, maar dat betreft dan slechts een belang dat in rechte niet beschermd dient te worden. Ook grief 6 faalt daarom. 4.11 De grieven 7 en 8 keren zich tegen (onderdelen van) de rechtsoverwegingen 9 en 10, betrekking hebbende op de vraag naar het causaal verband tussen het handelen van de curator en door Tycho geleden schade. Nu uit het voorgaande volgt dat de curator niet onrechtmatig gehandeld heeft, behoeven deze grieven geen bespreking meer. 4.12 Tycho heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, het hof tot een andere uitkomst zouden brengen, zodat haar algemeen bewijsaanbod wordt gepasseerd. 4.13 Nu de grieven 1 tot en met 6 falen en de grieven 7 en 8 daardoor hun betekenis verliezen, dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Tycho in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 18 oktober 2006; veroordeelt Tycho in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 1.631 voor salaris van de procureur en op € 2.255 voor griffierecht. Dit arrest is gewezen door mrs Mannoury, Rijken en Van den Brink en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2007.