Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB8736

Datum uitspraak2007-11-15
Datum gepubliceerd2007-11-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers07/674
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikelen 31 en 32 WWB. Uitkering wegens ziekenhuisopname. Herziening en terugvordering van bijstand. Volgens de rechtbank is sprake van in aanmerking te nemen inkomsten (omgekeerde loondervingsuitkering). De verzekeringspremie had hierop echter in mindering moeten worden gebracht (verwervingskosten).


Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Enkelvoudige kamer Reg.nr.: WWB 07/674-LOYS Uitspraak in het geding tussen [Eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde mr. J.C. Hardam, advocaat te Rotterdam, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder. 1 Ontstaan en loop van de procedures Bij besluit van 18 oktober 2006 (besluit 1) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat het recht op bijstand op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) met ingang van 1 juni 2005 tot en met 31 juli 2005 wordt herzien en dat de ten onrechte verstrekte bijstand ad € 1.819,76 (bruto) op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB van eiseres wordt teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 25 oktober 2006 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 10 november 2006 (besluit 2) heeft verweerder, voor zover thans van belang, eiseres medegedeeld dat het besluit van 19 oktober 2006 niet langer wordt gehandhaafd en dat de ten onrechte verstrekte en terug te vorderen bijstand over de betreffende periode € 1.620,53 (bruto) bedraagt. Bij besluit van 12 januari 2007, voor zover van belang, heeft verweerder het bezwaar gericht tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar gericht tegen besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit gewijzigd in die zin dat het bedrag van terugvordering wordt gewijzigd van € 1.620,53 (bruto) naar € 938,64 (netto). Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 22 januari 2007 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 10 juli 2007, aangevuld op 22 augustus 2007, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2007. Aanwezig waren eiseres en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Padmos. 2 Overwegingen 2.1. Feiten en omstandigheden Verweerder verleent met ingang van 4 mei 1982, laatstelijk op grond van de WWB, bijstand aan eiseres. Op 19 februari 1998 heeft eiseres een Ziekenhuis Ongevallen Polis afgesloten. Van 22 juni 2005 tot en met 4 juli 2005 is eiseres wegens een dubbelbekkenfractuur opgenomen geweest in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. Bij brief van 14 oktober 2005 heeft de verzekeraar naar aanleiding van de ziekenhuisopname aan eiseres een bedrag van € 1.179,88 uitgekeerd. Eiseres heeft hiervan melding gemaakt op het rechtmatigheidsformulier van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van november 2005. Op 18 oktober 2006 heeft verweerder het hierboven in het procesverloop vermelde besluit 1 genomen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 25 oktober 2006 bezwaar gemaakt. Op 10 november 2006 heeft verweerder het hierboven in het procesverloop vermelde besluit 2 genomen. Bij brief van 13 november 2006 heeft eiseres verweerder medegedeeld dat met het besluit 2 niet (geheel) aan haar bezwaren tegemoet wordt gekomen. Op 20 december 2006 is eiseres door een ambtenaar van verweerder gehoord. Op 12 januari 2007 heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 2.2. Standpunt van partijen Eiseres voert aan dat artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geschonden, nu verweerder naar haar mening ten onrechte geen (nader) onderzoek heeft uitgevoerd met betrekking tot de door haar afgesloten Ziekenhuis Ongeval Plan. Navraag bij de verzekeraar zou naar haar mening tot het oordeel hebben geleid dat het uitgekeerde bedrag samenhangt met de met de ziekenhuisopname gepaard gaande extra kosten. Ten onrechte heeft verweerder dan ook het uitgekeerde bedrag aangemerkt als inkomen. Eiser voert verder aan dat verweerder het beginsel van de goede procesorde heeft geschonden door haar in de bezwaarfase eerst in de gelegenheid te stellen om nader bewijs te leveren om vervolgens kort daarna dit verzoek om nader bewijs in te leveren in te trekken. Eiseres meent dat verweerder hierdoor (de schijn van) vertrouwen heeft opgewekt. Eiseres voert ten slotte aan dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om van het gemeentelijke beleid af te zien wegens dringende omstandigheden. In dat verband merkt eiseres op dat het uitgekeerde bedrag rechtstreeks samenhing met de opname in een ziekenhuis tengevolge van een ongelukkig ongeval. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden nu op zijn verzoek eiseres de polisvoorwaarden en de toekenningsbeschikking van de verzekeraar heeft overgelegd. Verweerder is van mening dat de polis is opgesteld om (vermeende) extra kosten bij iedere ziekenhuisopname te vergoeden en dat uit de polisvoorwaarden volgt dat uitkering vrij mag worden besteed. Verweerder wijst er verder op dat de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in een uitspraak van 4 juli 2006, gepubliceerd in JWWB, 2006, 265, heeft bepaald dat de bijstand moet worden ingetrokken en teruggevorderd in geval een schade-uitkering het vrij te laten vermogen overschrijdt. Naar de mening van verweerder valt niet in te zien waarom tegen deze achtergrond de uitkering aan eisers niet beschouwd zou moeten worden als inkomen. Verweerder ontkent voorts dat het beginsel van de goede procesorde is geschonden. Nu de gevraagde medische stukken bij nader inzien niet relevant werden geacht voor de besluitvorming kon het verzoek om nadere informatie te verstrekken naar zijn stellen worden ingetrokken. Ten slotte merkt verweerder, onder verwijzing naar het Handboek SoZaWe onder D/1000 punt 13, op dat van terugvordering kan worden afgezien indien zeer dringende redenen aanwezig zijn en dat deze in het onderhavige geval niet aanwezig zijn. 2.3. Wettelijk kader Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB, voorzover hier van belang, stemt het college de bijstand af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB, voor zover en ten tijde hier van belang, worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder [ l en] m, van de WWB, voor zover hier van belang, worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend: (…) l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade; m. giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn; (…). Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de WWB, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze: a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Ingevolge artikel 32, tweede lid,van de WWB worden middelen die het karakter hebben van uitgesteld inkomen in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Middelen die het karakter hebben van doorbetaling van inkomen over een periode worden in aanmerking genomen naar de periode waarin deze te gelde kunnen worden gemaakt. Ingevolge artikel 54 van de WWB kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken: (…) b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. 2.4. Beoordeling Het betoog dat verweerder nader onderzoek had moeten doen slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit de polis(voorwaarden) en uit de toekenningsbeschikking van de verzekeraar voldoende kan worden afgeleid wat voor een schadeverzekering eiseres heeft afgesloten en onder welke voorwaarden de verzekeraar tot uitbetaling overgaat. Uit de polisvoorwaarden blijkt dat hier sprake is van een zogenoemde hospitalisatieverzekering die het meest lijkt op een aanvullende zorgverzekering en afgesloten wordt ter dekking van extra uitgaven c.q. kosten die kunnen ontstaan ten gevolge van een opname (en verblijf) in een ziekenhuis. Deze mogelijke extra kosten kunnen onder andere ontstaan doordat een ziektekostenverzekeraar een ziekenhuisopname niet volledig vergoedt. De extra kosten kunnen voorts bijvoorbeeld ontstaan door de noodzaak van kinderopvang, extra vervoerskosten van de patiënt(e) zelf en/of de tot zijn of haar gezin behorende familieleden. Uit de polisvoorwaarden kan voorts worden afgeleid dat de verzekeraar een forfaitaire uitkering per dag toekent vanaf de derde dag van een ziekenhuisopname. Niet vereist is dat de extra kosten daadwerkelijk worden gemaakt. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige uitkering aangemerkt dient te worden als middelen die naar hun aard met de in artikel 32 van de WWB genoemde inkomsten en/of uitkeringen overeenkomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in beginsel deze uitkering heeft kunnen aanmerken als inkomsten. De uitkering voorziet immers in de dekking van eventuele extra privé-uitgaven en dekt daarmee tevens de hoogte van het bestaande (netto) inkomen van de verzekeringsnemer af. Tot op zekere hoogte is dan ook sprake van een soort omgekeerde loondervingsuitkering. De rechtbank acht voorts van belang dat de onderhavige verzekering niet goed is te vergelijken met bijvoorbeeld een verzekering waarbij een vergoeding wordt uitgekeerd ter vervanging of compensatie van een vermogensbestanddeel, zoals in geval van een opstal,- brand of diefstalverzekering. Relevant is verder dat de uitkering vrij besteedbaar is en de verzekeraar ook tot uitkering overgaat indien niet daadwerkelijk extra kosten worden gemaakt dan wel deze kosten kunnen worden betaald uit een andere bron. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het aanmerken van de onderhavige uitkering als inkomsten met zich brengt dat verweerder ook in redelijkheid rekening had dienen te houden met door eiseres betaalde premies, nu deze beschouwd kunnen worden als verwervingkosten. Nu verweerder hiermee in het geheel geen rekening heeft gehouden, leidt het geheel terugvorderen van de uitkering ertoe dat eiseres in retrospectief minder bijstand heeft ontvangen dan een vergelijkbaar persoon in de bijstand, die niet een dergelijke verzekering heeft afgesloten. Ten aanzien van het betoog dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het beginsel van de goede procesorde overweegt de rechtbank dat dit betoog faalt. De vraag of de door eiseres gedane bestedingen medisch noodzakelijk zijn, is voor de onderhavige besluitvorming niet van belang. Verweerder heeft dan ook zijn verzoek om nadere informatie te overleggen kunnen intrekken. Dat verweerder hiermee het vertrouwen heeft gewerkt dat de vergoeding niet als inkomen zou worden aangemerkt, kan hieruit evenmin worden afgeleid. Met verweerder is de rechtbank ten slotte van oordeel dat hier geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan verweerder had moeten afzien van herziening en terugvordering. Uit het voorgaande volgt evenwel dat het beroep van eiseres, voor zover zij heeft aangevoerd dat de uitkering ten onrechte (geheel) als inkomen is aangemerkt, gedeeltelijk doel treft en dat het bestreden besluit wegens onjuiste toepassing van de artikelen 32, 54 en 58 van de WWB en wegens strijd met artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, behoudens de mogelijkheid dat sinds het afsluiten van de verzekering eerder vergoedingen zijn uitgekeerd aan eiseres, bij zijn bevoegdheid tot herziening en terugvordering, rekening dient te houden met de maandelijkse premiebetaling vanuit de bijstandsnorm en wel vanaf het moment van de eerste maand van de premiebetaling tot het moment van het ontstaan van het recht op de uitkering van de verzekeraar. Verweerder zal daartoe in bezwaar nader onderzoek moeten doen. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 3 Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak, bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan eiseres het betaalde griffierecht van € 38,-- vergoedt, veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden en bepaalt dat, nu aan eiseres een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 19 23 25 892) worden betaald. Aldus gedaan door mr. drs. J.W.H.G. Loyson, rechter, en door deze en mr. A.Th.A.M. Schouw, griffier, ondertekend. De griffier: De rechter: Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2007. Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden. Afschrift verzonden op: