Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB8844

Datum uitspraak2007-11-27
Datum gepubliceerd2007-11-28
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6030 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering. Betrokkene is niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt in de zin van die wet geweest.


Uitspraak

05/6030 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 september 2005, 05/1536 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.H.B.M. Litjens, advocaat te Elst, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Litjens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 5 maart 2004 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat zij vanaf 26 augustus 2002 niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt in de zin van die wet is geweest. Bij besluit van 29 maart 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. In de aangevallen uitspraak is uitvoerig uiteengezet waarom de rechtbank de medische beoordeling door het Uwv en de daaruit getrokken conclusie dat appellante uitgaande van de datum 26 augustus 2002 de wettelijke wachttijd niet heeft vervuld juist acht. Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd komt neer op een herhaling van zetten. Ook de rechtbank heeft al in beschouwing genomen dat appellante in 2005, ver na het tijdvak dat thans in geding is, een poging tot zelfmoord heeft gedaan. De in hoger beroep overgelegde informatie van de psychiater D.G. Buiten, bij wie appellante vanaf 7 oktober 2005 onder behandeling is, maakt dit niet anders. De psychiater Buiten laat zich in zijn brief van 15 december 2005 aan appellantes gemachtigde uitdrukkelijk niet -ook niet retrospectief- uit over appellantes beperkingen in het tijdvak dat thans in geding is. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) A.H. Hagendoorn-Huls. MK