Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB8856

Datum uitspraak2007-11-27
Datum gepubliceerd2007-11-28
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/7430 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid geselecteerde functies.


Uitspraak

05/7430 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 november 2005, 05/1983 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. T. Çatak, advocaat te Vlijmen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Çatak. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbosch. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 27 april 2005, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een eerder genomen besluit waarbij appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 30 november 2004 is ingetrokken omdat zij door het Uwv met ingang van die datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. De rechtbank heeft blijkens de aangevallen uitspraak geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen met betrekking tot het verrichten van arbeid die voor appellante gelden. De voor appellante door het Uwv aan de hand van deze beperkingen geselecteerde functies acht de rechtbank in medisch opzicht geschikt, waardoor appellantes verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% is zodat appellante voor de toepassing van de WAO niet arbeidsongeschikt kan worden geacht. Op grond van hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen grond om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. Anders dan in het beroepschrift wordt gesteld heeft de rechtbank, evenals het Uwv, wel degelijk acht geslagen op de medische informatie afkomstig van de huisarts, zoals blijkt uit het rapport van 7 september 2004 van de verzekeringsarts N. Asma. De grief dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschonden doordat appellante "lange jaren arbeidsongeschikt is verklaard en wel voor 80 tot 100%" snijdt geen hout. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante van 16 mei 2003 tot 20 november 2004 uitkering ingevolge de WAO heeft ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, zodat de woorden "lange jaren"op zijn minst overdreven mogen worden genoemd. Voorts kan appellante aan het enkele gegeven dat zij gedurende de hiervoor genoemde periode een WAO-uitkering had ontvangen, niet de gerechtvaardigde verwachting hebben ontleend dat zij die uitkering in de toekomst zou blijven ontvangen, ook als medisch onderzoek zou uitwijzen dat zij minder beperkt was dan tot dan toe was aangenomen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 november 2007. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) A.H. Hagendoorn-Huls. MK