Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9093

Datum uitspraak2007-11-22
Datum gepubliceerd2007-11-29
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200700943
Statusgepubliceerd


Indicatie

De positieve ontwikkelingen die reeds waren geconstateerd ten tijde van het uitspreken van de ondertoezichtstelling hebben zich nadien voortgezet, waardoor géén sprake meer is van de aanwezigheid van de gronden als bedoeld in art. 1:254 lid 1 BW.


Uitspraak

RJH 22 november 2007 Sector civiel recht Rekestnummer R200700943 Zaaknummer eerste aanleg 161268 /JE RK 07-1230 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep van: [X.], [woonplaats], de vrouw, procureur mr. J.W. Weehuizen, t e g e n Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord en Zuidoost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, geïntimeerde, de raad. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 31 augustus 2007, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog het inleidende verzoek van de raad strekkende tot de ondertoezichtstelling van haar kinderen af te wijzen. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 september 2007, heeft Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de stichting) het verzoek van de vrouw bestreden. 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze zaak van voornoemde rechtbank van 1 augustus 2007. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007. Bij die gelegenheid zijn de vrouw en haar raadsman gehoord, alsmede mevrouw L. van den Dam namens de raad, mevrouw L. Verlinden en mevrouw I. Roskam namens de stichting en de gewezen echtgenoot van de vrouw en de vader van na te noemen [Y.] en [Z.], de heer [A.]. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. De vrouw en de heer [A.] zijn gewezen echtgenoten. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten: - [Y.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats] en - [Z.], op [geboortejaar] te [geboorteplaats] (Marokko). Het ouderlijk gezag over deze twee kinderen berust bij de ouders tezamen. 4.2. Bij het op 19 juni 2007 ter griffie van voornoemde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de raad verzocht genoemde kinderen onder toezicht te stellen van de stichting. 4.3. Bij de bestreden beschikking zijn bedoelde kinderen onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van één jaar. Tegen die beschikking is de vrouw opgekomen. 4.4. De vrouw is van mening dat geen gronden (meer) aanwezig zijn om haar twee kinderen onder toezicht te stellen. De vrouw stelt dat haar eigen omstandigheden zich in positieve zin hebben ontwikkeld, dat zij de echtscheidingsperikelen inmiddels te boven is gekomen, dat zij thans goede huisvesting heeft en dat haar financiële problemen goeddeels zijn opgelost en/of geregeld. Die omstandigheden hebben - aldus de vrouw - ertoe geleid dat zij thans, meer dan voorheen, in staat is haar taken als moeder van de kinderen zelfstandig ter hand te nemen, waardoor zij haar kinderen nu op een juiste wijze kan opvoeden en verzorgen. Bovendien ontwikkelen de kinderen zich goed. Ook de voorheen aan haar door diverse instanties verstrekte hulpverlening is inmiddels afgebouwd. 4.5. Het hof overweegt het volgende. Aan de inhoud van het door de raad in deze zaak uitgebrachte rapport van 7 juni 2007 en aan hetgeen door de gehoorde personen ter zitting aan informatie is verstrekt, is te ontlenen dat zich in het gezin van de vrouw vanaf omstreeks april 2004 problemen hebben voorgedaan, waardoor sedertdien diverse instanties zijn ingeschakeld om aan (het gezin van) de vrouw op diverse terreinen hulp te verlenen, waaronder jeugdhulpverlening, opvoedingsondersteuning, budgetbegeleiding, gezinszorg en psychologische/psychiatrische hulpverlening. 4.6. Daarnaar door het hof gevraagd is van de kant van de raad en de stichting ter zitting verklaard, dat in het door de raad uitgebrachte rapport van 7 juni 2007 inderdaad een positieve ontwikkeling is geconstateerd in de omstandigheden van zowel de vrouw als haar twee kinderen en dat die positieve ontwikkeling zich ook feitelijk na het uitbrengen van bedoeld rapport en na de bestreden beschikking heeft doorgezet. De raad en de stichting hebben aan hun zojuist weergegeven verklaring evenwel toegevoegd dat die positieve ontwikkelingen in het gezin van de vrouw nog broos van aard zijn, waardoor het in hun visie in het belang van de kinderen en ook de vrouw is te achten dat de ondertoezichtstelling vooralsnog wordt gecontinueerd teneinde de kans op terugval in het gezin van de vrouw te voorkomen. 4.7. De vrouw heeft ter zitting erkend dat zij en/of haar kinderen vanaf omstreeks april 2004 op de hiervoor genoemde terreinen hulp en begeleiding hebben gekregen van onder meer de volgende instanties: - opvoedingsondersteuning van buurtnetwerk jeugdhulpverlening Divers; - financiële begeleiding en ondersteuning bij het regelen van de echtscheiding door stichting Madi; - huisarts, GGZ en Reinier van Arkel Groep voor psychische begeleiding en ondersteuning van de vrouw; - gespecialiseerde gezinszorg/thuiszorg van Vivent; - hulp van MEE in het bijzonder voor [Y.]; - Cello, AMW en Herlaarhof. De vrouw heeft verder onbestreden verklaard, dat de hulpverlenende instanties hun begeleiding en ondersteuning gaandeweg hebben afgesloten en/of afgerond en dat zij thans alleen nog met MEE - zij het telefonisch - contact heeft. 4.8. Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel, dat er ten tijde van de bestreden beschikking - hoewel toen reeds sprake was van positieve ontwikkelingen in het gezin - gronden aanwezig waren voor een ondertoezichtstelling van [Y.] en [Z.]. Nu deze positieve ontwikkelingen zich nadien verder hebben voortgezet, is het hof van oordeel dat thans geen sprake meer is van een situatie in het gezin van de vrouw, waardoor moet worden gevreesd dat voornoemde twee minderjaren op een zodanige wijze opgroeien, dat hun zedelijke en/of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd. Het hof begrijpt weliswaar de door de raad en de stichting naar voren gebrachte bezorgdheid betreffende tot voortgang in de positieve ontwikkelingen in het gezin van de vrouw, maar dat neemt niet weg dat uit hetgeen hiervoor is weergegeven niet meer blijkt van de aanwezigheid van de gronden als bedoeld in artikel 1:254 lid 1 BW. 4.8.1. Het gegeven dat tussen de twee kinderen en hun vader, de heer [A.], nog geen omgangsregeling tot stand is gekomen (op 6 november 2007 was een zitting over deze kwestie bij de rechtbank), kan niet worden aangemerkt als een grond voor (het laten voortduren van) de ondertoezichtstelling. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking het feit dat de vrouw ter zitting heeft verklaard, dat zij in voorkomende gevallen de hulpverlenende instanties weet te vinden en dat zij, waar nodig, zelfstandig met hen contact zal opnemen. 4.8.2. Op het hoger beroep van de vrouw zal het hof beslissen op de hierna aangegeven wijze. 5. De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 augustus 2007 tot 22 november 2007 en vernietigt die beschikking met ingang van 22 november 2007 en heft met ingang van die datum de ondertoezichtstelling op van de twee minderjarigen, genaamd: - [Y.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] en - [Z.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats] (Marokko). Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-van der Weijden en Pellis, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 november 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.