Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9094

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-11-30
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR06/183HR
Statusgepubliceerd


Indicatie

Familierecht. Geschil tussen moeder van door kunstmatige inseminatie verwekt minderjarig kind en zaaddonor over de vraag of hij als biologische vader op voet van art. 1:377f BW gerechtigd is tot omgang met kind; ontvankelijkheid van inleidend verzoek, maatstaf; aan nauwe persoonlijke betrekking te stellen eisen; bescherming ex art. 8 EVRM, potentiële relatie, factoren.


Conclusie anoniem

Rek.nr. R06/183HR Mr L. Strikwerda Parket, 7 sept. 2007 conclusie inzake [De moeder] tegen [De man] Edelhoogachtbaar College, 1. Deze zaak betreft een verzoek tot het treffen van een omgangsregeling op de voet van art. 1:377f BW. Inzet is de vraag of tussen het kind en de verzoeker een "nauwe persoonlijke betrekking" in de zin van dat artikel ("family life" in de zin van art. 8 EVRM) bestaat en nog steeds bestaat. 2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 2.1 t/m 2.3 van de bestreden beschikking van het hof). (i) Op [geboortedatum] 2000 is uit thans verzoekster tot cassatie, hierna: de moeder, geboren [dochter], hierna: [de dochter]. [De dochter] is verwekt door middel van kunstmatige inseminatie met sperma van thans verweerder in cassatie, hierna: de man. De man, noch een derde heeft [de dochter] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [de dochter]. (ii) Toen de moeder de man leerde kennen in 1994 had zij een relatie met een vrouw. De man had destijds een relatie met een man. Reeds in het begin van hun vriendschap heeft de moeder aan de man gevraagd of hij spermadonor voor haar wilde zijn, waarop de man in beginsel positief reageerde. Het is er echter toen niet van gekomen in verband met de toenmalige relatie van de moeder. (iii) In november 1999 is er op initiatief van de moeder andermaal gesproken over het donorschap. Partijen spraken toen af dat de man een rol in het leven van het kind zou worden toebedeeld. Eind 1999 heeft de moeder zichzelf geïnsemineerd met het sperma van de man en raakte zij zwanger. (iv) Partijen hadden toen nog niet duidelijk gesproken over de invulling van de rol van de man. Tijdens de zwangerschap bleken partijen hier verschillend over te denken. Na een gesprek tussen partijen over de feitelijke invulling van het ouderschap, gaf de man aan teleurgesteld te zijn over het standpunt van de moeder en over het een en ander te willen nadenken en heeft de man in januari 2000 aan de moeder te kennen gegeven dat hij niets meer met de moeder of haar zwangerschap te maken wilde hebben. (v) In mei 2000 is de man hierop teruggekomen. Hij heeft de moeder toen geschreven dat hij zich bij de wensen van de moeder zou neerleggen en dat hij zich realiseerde dat hij vanuit dit nieuwe perspectief iets voor het kind kon gaan betekenen. Hierop heeft de moeder niet gereageerd. (vi) In de week waarin de moeder was uitgerekend heeft de man haar een kaartje gestuurd om haar sterkte te wensen met de bevalling. Hij heeft in die periode iedere dag de geboorteaankondigingen in Het Parool doorgenomen en daarin gelezen dat [de dochter] op [geboortedatum] 2000 geboren was. (vii) Kort na de geboorte zijn partijen elkaar nog tegengekomen, toen de moeder met [de dochter] op straat liep. De man heeft de moeder toen kort aangesproken. Partijen hebben elkaar nog een aantal keer zien lopen of fietsen maar hebben geen contact meer gehad. (viii) De man heeft vervolgens geruime tijd een (nieuwe) partner gehad. De pogingen van deze partner om contact te leggen tussen partijen zijn op de moeder intimiderend overgekomen en contraproductief geweest. De moeder heeft zich in maart 2005 tot de politie gewend en aangifte gedaan dat zij zich lastig gevallen voelde door de partner van de man. 3. De man heeft op 31 augustus 2005 bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend en daarbij de rechtbank verzocht te bepalen dat hij op de voet van art. 1:377f BW gerechtigd is tot omgang met [de dochter] en te bepalen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm moeten gaan geven aan de contacten tussen de man en [de dochter]. De man heeft zijn verzoek gegrond op de stelling dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking op grond waarvan hij recht heeft op omgang met [de dochter]. 4. Nadat de rechtbank Amsterdam de zaak had verwezen naar de rechtbank Haarlem, heeft de vrouw een verweerschrift ingediend en daarbij aangevoerd dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, nu er geen sprake is van "family life" in de zin van art. 8 EVRM of een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van art. 1:377f BW tussen het kind en de man, aangezien partijen geen affectieve relatie met elkaar hebben gehad, de man niet de verwekker is maar zaaddonor, de man zelf het contact heeft verbroken, en de man sinds de geboorte van [de dochter] geen feitelijk contact met [de dochter] heeft gehad. 5. Bij beschikking van 20 december 2005 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Daartoe overwoog de rechtbank dat naar haar oordeel, nu de intenties van partijen dat de man een rol zou worden toebedeeld in het leven van de minderjarige nimmer gestalte hebben gekregen, tussen de man en [de dochter] geen nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan als bedoeld in art. 1:377f BW dan wel in de zin van art. 8 EVRM. 6. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam. De man beklaagde zich over het oordeel van de rechtbank dat tussen de man en [de dochter] geen nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan als bedoeld in art. 1:377f BW dan wel in de zin van art. 8 EVRM en verzocht het hof de beschikking van de rechtbank te vernietigen en zijn inleidende verzoek (dat hij aanvulde met een - in cassatie niet aan de orde zijnd - subsidiair verzoek tot vaststelling van een informatieregeling) alsnog toe te wijzen. 7. Nadat de moeder een verweerschrift had ingediend en de zaak ter terechtzitting van het hof was behandeld, heeft het hof bij tussenbeschikking van 21 september 2006 met betrekking tot de vraag of de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met [de dochter] onder meer het volgende overwogen: "4.1. (...). Het hof stelt voorop dat weliswaar vaststaat dat de man de biologische vader van [de dochter] is maar dat dit enkele feit niet zonder meer mee brengt dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking als aangegeven in artikel 1:377f van het Burgerlijk Wetboek tot [de dochter] staat. Om zo'n band aan te kunnen nemen dienen door de man bijkomende omstandigheden aannemelijk te worden gemaakt. (...). (...). 4.4. In de onderhavige situatie, waarin de man - gelet op de uitlatingen van zowel de moeder als de man - niet een willekeurige donor is, maar door de moeder bewust is gekozen als de vader voor haar kind en waarbij de man bewust heeft gekozen voor de moeder als de moeder van zijn kind, partijen ten tijde van de bevruchting een hecht contact hadden, waarin zij elkaar vaak zagen en het voornemen hadden dit contact ook na de bevalling voort te zetten en waarin zij beiden een functie voorzagen van de man in het leven van [de dochter] - hoewel zij van mening verschilden over de mate daarvan - en de bedoeling was dat de man het kind zou gaan erkennen, is naar het oordeel van het hof voor de geboorte van [de dochter] tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking ontstaan. Weliswaar is het contact tussen de moeder en de man reeds voor de geboorte van [de dochter] verbroken en heeft nadien nauwelijks contact tussen de man en [de dochter] plaatsgevonden, maar dit acht het hof, mede gelet op de wens van de man om omgang met [de dochter] te hebben en het feit dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij die wens door de jaren heen telkens aan de moeder is blijven uiten, niet zodanig bepalend dat daarmee gezegd moet worden dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [de dochter] thans niet meer bestaat. Het hof acht de man derhalve ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [de dochter]." Vervolgens heeft het hof, dat de stelling van de moeder dat contact tussen [de dochter] en de man niet in het belang van [de dochter] is, onvoldoende concreet achtte om op voorhand te veronderstellen dat het belang van [de dochter] zich tegen het vaststellen van een omgangsregeling met de man verzet (r.o. 4.6), de behandeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek te doen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm kunnen geven aan contacten tussen de man en [de dochter] en hieromtrent schriftelijk rapport en advies uit te brengen. 8. Nadat het hof bij beschikking van 7 december 2006 op het daartoe strekkende verzoek van de moeder had bepaald dat de moeder van de tussenbeschikking van het hof van 21 september 2006 dadelijk beroep in cassatie kan instellen, is de moeder tegen die tussenbeschikking (tijdig) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij het middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen. 9. Onderdeel 1 van het middel keert zich primair met een rechtsklacht en, subsidiair, met een algemene en enige specifieke motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4.4 - dat tussen de man en [de dochter] een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan, zodat de man in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ontvankelijk is, en dat daaraan niet afdoet dat de man het contact met de moeder heeft verbroken gedurende de zwangerschap en dat na de geboorte nooit contact heeft plaatsgevonden tussen [de dochter] en de man. De rechtsklacht houdt in dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:377f BW en art. 8 EVRM. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat een verzoek als door de man gedaan niet ontvankelijk kan worden geacht in een geval waarin noch tussen de moeder en de zaaddonor een relatie bestaat dan wel heeft bestaan die gelijk gesteld kan worden met een huwelijk en/of anderszins als een bestendige affectieve relatie kan worden gekwalificeerd, noch na de geboorte van het kind zich omstandigheden hebben voorgedaan die tussen het kind en de zaaddonor een relatie hebben kunnen doen ontstaan die kan worden gekwalificeerd als een nauwe persoonlijke betrekking dan wel "family life". De algemene motiveringsklacht houdt in dat, indien en voor zover het hof dit niet heeft miskend, de beslissing van het hof, gelet op de door het hof gememoreerde omstandigheden van het geval en in het licht van de inhoud van de gedingstukken, onbegrijpelijk ofwel onvoldoende gemotiveerd is. 10. Voor de ontvankelijkheid van een verzoek van de biologische vader (waaronder mede de bekende spermadonor is te begrijpen; zie HR 24 januari 2003, NJ 2003, 386 nt. JdB) tot vaststelling van een omgangsregeling op de voet van art. 1:377f BW is vereist dat de verzoeker, behalve het biologische vaderschap, ook bijkomende omstandigheden stelt, waaruit voortvloeit dat er tussen hem en het kind een band bestaat die kan worden aangemerkt als een nauwe persoonlijke betrekking in de zin van dat artikel ("family life" in de zin van art. 8 EVRM). Zowel de aard van de relatie tussen de biologische vader en de moeder vóór de geboorte van het kind als omstandigheden die zijn ontstaan na de geboorte van het kind kunnen gelden als bijkomende omstandigheden die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking ("family life") tussen de biologische vader en het kind. Ook een combinatie van omstandigheden die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van het kind en deels op de periode na de geboorte van het kind, kan gelden als bijkomende omstandigheden. Zie o.m. HR 19 mei 2000, NJ 2000, 545 nt. SW en HR 29 september 2000, NJ 2000, 654. Zie ook EHRM 1 juni 2004, NJ 2004, 667 (Lebbink). Zie nader Kluwers Personen- en familierecht, losbl., Titel 15, Omgang en informatie, Art. 377f, aant. 2 (S.F.M. Wortmann) en Asser-De Boer, 2006, nr. 13a en nrs. 1018-1021a. 11. Is eenmaal sprake van een nauwe persoonlijke band ("family life"), dan kan deze door latere gebeurtenissen overigens weer worden verbroken. Zie EHRM 21 juni 1988, NJ 1988, 746 nt. EAA (Berrehab) en HR 10 november 1989, NJ 1990, 628 nt. EAAL en EAA. De enkele omstandigheid dat contact gedurende een zeker tijdsverloop achterwege is gebleven, kan niet als een dergelijke gebeurtenis worden aangemerkt; slechts beschouwd in samenhang met andere, zwaarwegende, feiten en omstandigheden kan zodanig tijdsverloop een factor vormen bij het beantwoorden van de vraag of een eenmaal bestaand "family life" nadien is verbroken. Zie HR 11 juni 1993, NJ 1993, 560, HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 153 nt. WH-S en HR 26 november 1999, NJ 2000, 85. Ook zal uit de enkele omstandigheid dat tussen de moeder en de biologische vader een breuk is ontstaan, in het algemeen niet kunnen worden afgeleid dat, indien "family life" bestaat tussen de moeder en de biologische vader en - daardoor - tussen de biologische vader en het kind bij de geboorte van het kind, het "family life" tussen de biologische vader en het kind is verbroken. Zie HR 25 april 1997, NJ 1997, 560 nt. JdB. Zie nader Wortmann t.a.p. en Asser-De Boer, 2006, nr.13b. 12. Het hof heeft in zijn bestreden beschikking - in r.o. 4.1 - vooropgesteld dat het enkele feit dat de man de biologische vader van [de dochter] is, niet zonder meer meebrengt dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:377f BW tot [de dochter] staat; om zo'n band te kunnen aannemen dienen door de man bijkomende omstandigheden aannemelijk te worden gemaakt, aldus het hof. Dit door het hof gekozen uitgangspunt wordt door het middel - blijkens hetgeen zojuist is aangetekend: terecht - niet bestreden. 13. Vervolgens heeft het hof onderzocht of gebleken is van bijkomende omstandigheden die de conclusie van het bestaan een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [de dochter] kunnen rechtvaardigen en, zo ja, of die betrekking thans niet meer bestaat. 14. Het hof heeft de eerstbedoelde vraag in bevestigende zin beantwoord op grond van de aard van de relatie tussen de moeder en de man vóór de geboorte van [de dochter]. In dat verband heeft het hof van belang geoordeeld - dat de man - gelet op de uitlatingen van zowel de moeder als de man - niet een willekeurige spermadonor is, maar door de moeder bewust is gekozen als de vader voor haar kind en waarbij de man bewust heeft gekozen voor de moeder als de moeder van zijn kind; - dat partijen ten tijde van de bevruchting een hecht contact hadden, waarin zij elkaar vaak zagen en het voornemen hadden dit contact ook na de bevalling voort te zetten en waarin zij beiden een functie voorzagen van de man in het leven van [de dochter], ook al verschilden zij van mening over de mate daarvan; en - dat het de bedoeling van partijen was dat de man het kind zou gaan erkennen. Het oordeel van het hof dat deze omstandigheden, ook al is geen sprake geweest van samenleving of van een liefdesrelatie tussen de moeder en de man, blijk geven van een voldoende bestendige relatie tussen de moeder en de man om te kunnen aannemen dat vóór de geboorte van [de dochter] tussen de man en [de dochter] een nauwe persoonlijke betrekking ("family life") is ontstaan, getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheden wijzen immers op een duidelijke betrokkenheid van de moeder en de man op elkaar in hun wens om samen een kind te krijgen en op een gezamenlijke wens van de moeder en de man om de man een vaderrol te laten vervullen in het leven van [de dochter]. Deze omstandigheden kunnen, ook bij het ontbreken van samenleven tussen de moeder en de man, leiden tot de conclusie van het bestaan van "family life" tussen de man en [de dochter] (vgl. EHRM 27 oktober 1994, NJ 1995, 248 nt. JdB, Kroon), althans van het bestaan van een potentiële relatie tussen de man en [de dochter] die voor bescherming als "family life" in aanmerking komt (vgl. EHRM 29 juni 1999, RJD 1999-VI, p. 361, Nyland). Zie nader Asser-De Boer, 2006, nr. 13b. Het oordeel van het hof dat vóór de geboorte van [de dochter] tussen de man en [de dochter] een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan, is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd, terwijl voor verdere cassatietoetsing geen plaats is, aangezien dat oordeel berust op aan het hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard. 15. Het hof heeft de andere vraag - de vraag of de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [de dochter] thans niet meer bestaat - ontkennend beantwoord. Het hof heeft daartoe van belang geoordeeld dat, ook al is het contact tussen de moeder en de man reeds vóór de geboorte van [de dochter] verbroken en heeft nadien nauwelijks contact tussen de man en [de dochter] plaatsgevonden, de man omgang met [de dochter] wenst en die wens ook door de jaren heen telkens aan de moeder is blijven uiten. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de hierboven onder 11 genoemde maatstaf bij het beantwoorden van de vraag of een eenmaal bestaand "family life" nadien is verbroken. Om verbreking aan te nemen zijn immers zwaarwegende omstandigheden vereist en is de enkele omstandigheid dat contact gedurende een zeker tijdsverloop achterwege is gebleven of dat een breuk is ontstaan tussen de moeder en de biologische vader, niet voldoende. Het oordeel van het hof dat niet kan worden gezegd dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [de dochter] thans niet meer bestaat, is ook niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd, terwijl voor verdere cassatietoetsing geen plaats is, aangezien dit oordeel berust op aan het hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard. 16. De rechtsklacht en de algemene motiveringsklacht van onderdeel 1 zijn daarom naar mijn oordeel tevergeefs voorgesteld. Hetzelfde geldt m.i. voor de specifieke motiveringsklachten die in onderdeel 1 onder 1.12 naar voren worden gebracht. 17. De klacht dat de overweging van het hof dat de moeder de man bewust heeft uitgekozen als de vader van het kind, onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van de moeder, nu zij slechts heeft aangegeven dat zij de bewust de man heeft benaderd met de vraag of hij wilde optreden als haar donor, is ongegrond, omdat het hof met zijn overweging kennelijk heeft bedoeld dat de moeder de man bewust heeft uitgekozen als de biologische vader van het kind. Dat is niet onbegrijpelijk in het licht van de bedoelde stellingen van de moeder. 18. De klacht dat de conclusie die het hof verbindt aan de vaststelling dat het aanvankelijk de bedoeling van partijen was dat de man het kind zou erkennen, onbegrijpelijk is, nu vaststaat dat het de man zelf is geweest die heeft aangegeven niets meer met de moeder en de zwangerschap te maken te willen hebben, is eveneens ongegrond. Het feit dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de man het kind zou erkennen, heeft het hof van belang geacht voor het antwoord op de vraag of de aard van de relatie van de moeder en de man ten tijde van de bevruchting de conclusie van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:377f BW kan rechtvaardigen. De verwijdering die nadien tussen de moeder en de man (op initiatief van de man) heeft plaatsgevonden heeft op die conclusie geen invloed. Het oordeel van het hof is dus niet onbegrijpelijk. 19. Onderdeel 2 van het middel is voorwaardelijk voorgesteld, namelijk voor het geval r.o. 4.6 van de bestreden beschikking aldus moet worden gelezen dat het hof daarin een bevestigend antwoord geeft op de vraag of een omgangsregeling in het belang van [de dochter] is. 20. Het hof heeft in r.o. 4.6 van de bestreden beschikking overwogen, dat de stelling van de moeder dat contact tussen [de dochter] en de man niet in het belang van [de dochter] is, onvoldoende concreet achtte om op voorhand te veronderstellen dat het belang van [de dochter] zich tegen het vaststellen van een omgangsregeling met de man verzet. Uit de door het hof gekozen formulering blijkt dat het hof niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat een omgangsregeling in het belang van [de dochter] is. Aan de "voorwaarde" waaronder het onderdeel is voorgesteld, is derhalve naar mijn oordeel niet voldaan, zodat het onderdeel geen bespreking behoeft. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


Uitspraak

30 november 2007 Eerste Kamer Rek.nr. R06/183HR RM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De moeder], wonende op een onbekend adres, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. J. Brandt, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. E.C.M. Hurkens. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de man. 1. Het geding in feitelijke instanties Bij verzoekschrift gedateerd 23 augustus 2005 heeft de man de rechtbank Amsterdam verzocht, kort gezegd, te bepalen dat hij gerechtigd is tot omgang met de op [geboortedatum] 2000 uit de moeder geboren [dochter] (hierna: [de dochter]). Voorts heeft de man verzocht te bepalen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm moeten gaan geven aan de contacten tussen hem en [de dochter]. Nadat de rechtbank Amsterdam de zaak had verwezen naar de rechtbank Haarlem, heeft de moeder het verzoek bestreden. De rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2005 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij tussenbeschikking van 21 september 2006 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek te doen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm kunnen geven aan contacten tussen de man en [de dochter] en hieromtrent schriftelijk rapport en advies uit te brengen. Op verzoek van de moeder heeft het hof bij beschikking van 7 december 2006 zijn tussenbeschikking aangevuld en bepaald dat de moeder van die beschikking dadelijk beroep in cassatie kan instellen. De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de tussenbeschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. (i) [De dochter] is op [geboortedatum] 2000 uit de moeder geboren. Zij is verwekt door middel van kunstmatige inseminatie met sperma van de man. De man noch een derde heeft [de dochter] erkend. De moeder heeft van rechtswege het gezag over [de dochter]. (ii) Toen de moeder de man leerde kennen in 1994 had zij een relatie met een vrouw. De man had destijds een relatie met een man. Reeds in het begin van hun vriendschap heeft de moeder aan de man gevraagd of hij spermadonor voor haar wilde zijn, waarop de man in beginsel positief reageerde. Het is er echter toen niet van gekomen in verband met de toenmalige relatie van de moeder. (iii) In november 1999 is op initiatief van de moeder andermaal gesproken over het donorschap. Partijen spraken toen af dat de man een rol in het leven van het kind zou worden toebedeeld. Eind 1999 heeft de moeder zichzelf geïnsemineerd met het sperma van de man en raakte zij zwanger. (iv) Partijen hadden toen nog niet duidelijk gesproken over de invulling van de rol van de man. Tijdens de zwangerschap bleken partijen hier verschillend over te denken. Na een gesprek tussen partijen over de feitelijke invulling van het ouderschap, gaf de man aan teleurgesteld te zijn over het standpunt van de moeder en over het een en ander te willen nadenken, en heeft hij in januari 2000 aan de moeder te kennen gegeven dat hij niets meer met haar of haar zwangerschap te maken wilde hebben. (v) In mei 2000 is de man hierop teruggekomen. Hij heeft de moeder toen geschreven dat hij zich bij de wensen van de moeder zou neerleggen en dat hij zich realiseerde dat hij vanuit dit nieuwe perspectief iets voor het kind kon gaan betekenen. Hierop heeft de moeder niet gereageerd. (vi) In de week waarin de moeder was uitgerekend heeft de man haar een kaartje gestuurd om haar sterkte te wensen met de bevalling. Hij heeft in die periode iedere dag de geboorteaankondigingen in Het Parool doorgenomen en daarin gelezen dat [de dochter] op [geboortedatum] 2000 geboren was. (vii) Kort na de geboorte zijn partijen elkaar nog tegengekomen, toen de moeder met [de dochter] op straat liep. De man heeft de moeder toen kort aangesproken. Partijen hebben elkaar nog een aantal keer zien lopen of fietsen maar hebben geen contact meer gehad. (viii) De man heeft vervolgens geruime tijd een (nieuwe) partner gehad. De pogingen van deze partner om contact te leggen tussen partijen zijn op de moeder intimiderend overgekomen en contraproductief geweest. De moeder heeft zich in maart 2005 tot de politie gewend en aangifte gedaan dat zij zich lastig gevallen voelde door de partner van de man. 3.2 De man heeft aan zijn verzoek te bepalen dat hij op de voet van art. 1:377f BW gerechtigd is tot omgang met [de dochter] en te bepalen op welke wijze de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm moeten gaan geven aan de contacten tussen de man en [de dochter] ten grondslag gelegd dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking op grond waarvan hij recht heeft op omgang met [de dochter]. De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen de man en [de dochter] geen nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:377f dan wel in de zin van art. 8 EVRM is ontstaan, en heeft daarom de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het hof heeft de man wel ontvankelijk geacht in zijn verzoek, waaraan de man een subsidiair verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling had toegevoegd, en heeft de behandeling vervolgens aangehouden voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar de wijze waarop de man en de moeder gezamenlijk of via een derde vorm kunnen geven aan contacten tussen de man en [de dochter]. 3.3 Het hof heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid in hoger beroep van de man vooropgesteld dat weliswaar vaststaat dat de man de biologische vader van [de dochter] is maar dat dit enkele feit niet zonder meer meebrengt dat hij in een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in artikel 1:377f BW tot [de dochter] staat. Om zo'n band aan te kunnen nemen dienen door de man bijkomende omstandigheden aannemelijk te worden gemaakt. Het hof heeft in rov. 4.2 uitvoerig geschetst hoe partijen, die in de periode voorafgaande aan de bevruchting veel samen waren, hebben gesproken over de rol die de man in het leven van het kind zou spelen, en vastgesteld dat aan het begin van de zwangerschap is gebleken dat zij daarover verschillend dachten, hetgeen ertoe heeft geleid dat de man het contact heeft verbroken. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.4 het volgende overwogen. "In de onderhavige situatie, waarin de man - gelet op de uitlatingen van zowel de moeder als de man - niet een willekeurige donor is, maar door de moeder bewust is gekozen als de vader voor haar kind en waarbij de man bewust heeft gekozen voor de moeder als de moeder van zijn kind, partijen ten tijde van de bevruchting een hecht contact hadden, waarin zij elkaar vaak zagen en het voornemen hadden dit contact ook na de bevalling voort te zetten en waarin zij beiden een functie voorzagen van de man in het leven van [de dochter] - hoewel zij van mening verschilden over de mate daarvan - en de bedoeling was dat de man het kind zou gaan erkennen, is naar het oordeel van het hof voor de geboorte van [de dochter] tussen de man en het kind een nauwe persoonlijke betrekking ontstaan. Weliswaar is het contact tussen de moeder en de man reeds voor de geboorte van [de dochter] verbroken en heeft nadien nauwelijks contact tussen de man en [de dochter] plaatsgevonden, maar dit acht het hof, mede gelet op de wens van de man om omgang met [de dochter] te hebben en het feit dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij die wens door de jaren heen telkens aan de moeder is blijven uiten, niet zodanig bepalend dat daarmee gezegd moet worden dat de nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [de dochter] thans niet meer bestaat. Het hof acht de man derhalve ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [de dochter]." 3.4.1 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte onderdeel 1 van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Terecht wordt niet geklaagd over de door het hof tot uitgangspunt genomen maatstaf, die meebrengt dat de man als biologische vader van [de dochter] bijkomende omstandigheden aannemelijk dient te maken, waaruit kan worden afgeleid dat de voor ontvankelijkheid van zijn verzoek vereiste nauwe persoonlijke band tussen hem en [de dochter] bestaat. Het gaat hier blijkens de door het hof vastgestelde omstandigheden om een bekende donor, die met de (lesbische) moeder niet een bestendige affectieve relatie onderhield, maar die met haar ten tijde van de bevruchting een hecht vriendschappelijk contact had, waarin zij elkaar vaak zagen en het voornemen hadden na de door hen beiden gewenste geboorte dit contact voort te zetten en waarin zij beiden een functie van de man in het leven van het kind voorzagen. In een dergelijk geval is, anders dan in het onderdeel wordt bepleit, voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking niet vereist dat het kind geboren wordt uit een tussen de moeder en de biologische vader bestaande relatie die in voldoende mate op één lijn valt te stellen met een huwelijk. Anders dan in onderdeel 1.6 wordt gesteld, is er ook geen grond (vrij) strikte eisen te stellen aan de voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking vereiste bijkomende omstandigheden. Het stellen van striktere eisen zou immers ertoe leiden dat een verzoek van de biologische vader tot het treffen van een omgangs- of informatieregeling die volgens hem recht doet aan de intenties van de betrokkenen eerder niet-ontvankelijk zal zijn, met het gevolg dat niet meer wordt toegekomen aan een rechterlijke beoordeling van de vraag of het verzoek toewijsbaar is, waarbij niet alleen de voor het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking relevante gegevens, maar ook andere ten tijde van het verzoek bestaande omstandigheden van belang zijn. Het stellen van bijkomende eisen geschiedt in het belang van de moeder en het kind, maar behoort niet ertoe te leiden dat in een geval waarin naderhand over de rol die de biologische vader volgens de intenties van de moeder en de man in het leven van het door hen gewenste kind zal vervullen geschillen ontstaan, die geschillen aan een beoordeling door een rechter worden onttrokken. 3.4.2 Tegen deze achtergrond heeft het hof door onder de in rov. 4.2 en 4.4 bedoelde omstandigheden te oordelen dat tussen de man en [de dochter] reeds voor haar geboorte een nauwe persoonlijke betrekking is ontstaan, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij heeft het hof kennelijk het oog gehad op de potentiële relatie tussen de biologische vader en zijn kind, die onder omstandigheden onder de bescherming krachtens art. 8 EVRM valt, zoals onder meer is geoordeeld in EHRM 1 juni 2004, nr. 45582/99, NJ 2004, 667, punt 36: "Although, as a rule, cohabitation may be a requirement for such a relationship, exceptionally other factors may also serve to demonstrate that a relationship has sufficient constancy to create de facto "family ties" (see Kroon and Others v. the Netherlands, judgment of 27 October 1994, Series A no. 297-C, p. 55, § 30). The existence or non-existence of "family life" for the purposes of Article 8 is essentially a question of fact depending upon the real existence in practice of close personal ties (see K. and T. v. Finland, cited above, § 150). Where it concerns a potential relationship which could develop between a child born out of wedlock and its natural father, relevant factors include the nature of the relationship between the natural parents and the demonstrable interest in and commitment by the father to the child both before and after its birth (see Nylund v. Finland (dec.), no. 27110/95, ECHR 1999-VI)." Naar het kennelijke oordeel van het hof zijn in dit geval als dergelijke relevante factoren te beschouwen de hechte en duurzame vriendschapsrelatie van de (lesbische) moeder en de (homoseksuele) man en hun voornemens met betrekking tot de toekomstige rol van de man in het leven van het door hen beiden gewenste kind, dat naar de bedoeling van partijen door de man zou worden erkend, in samenhang met de op blijvende betrokkenheid bij het kind duidende door de jaren heen telkens door de man geuite wens tot omgang met [de dochter]. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. 3.4.3 Vervolgens heeft het hof, ervan uitgaande dat ten tijde van de geboorte een nauwe persoonlijke betrekking met [de dochter] was ontstaan, geoordeeld dat de omstandigheid dat het contact tussen de moeder en de man reeds voor de geboorte van [de dochter] is verbroken en dat nadien nauwelijks contact tussen de man en [de dochter] heeft plaatsgevonden, niet voldoende is om te concluderen dat die nauwe persoonlijke betrekking met [de dochter] is verbroken. Ook dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is verder van feitelijke aard, zodat het in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. Daarbij is in aanmerking te nemen dat het achterwege blijven van contact slechts in samenhang met andere, zwaarwegende feiten en omstandigheden een factor kan vormen bij de beantwoording van de vraag of een eenmaal bestaande nauwe persoonlijke betrekking nadien is verbroken (vgl. onder meer HR 26 november 1999, nr. R99/026, NJ 2000, 85). Het hof heeft kunnen oordelen dat van dergelijke zwaarwegende feiten en omstandigheden geen sprake was. 3.5.1 Op het voorgaande stuiten de rechtsklachten van het onderdeel af. Ook de daarin naar voren gebrachte motiveringsklachten zijn tevergeefs voorgesteld, omdat de hiervoor besproken oordelen in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk zijn, noch onvoldoende zijn gemotiveerd. Met betrekking tot de afzonderlijke klachten wordt nog het volgende overwogen. 3.5.2 Anders dan in onderdeel 1.12 wordt aangevoerd, is in het licht van de stellingen van de moeder niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat de moeder de man bewust heeft uitgekozen als de vader van het kind. Het hof heeft uit de stellingen van de moeder kunnen afleiden dat zij de man niet louter heeft benaderd als donor, maar als de biologische vader van het kind die een nader te bespreken functie in het leven van het kind zou vervullen. Evenmin is onbegrijpelijk dat het hof bij de beantwoording van de vraag of de aard van de relatie van de moeder en de man ten tijde van de bevruchting de conclusie van een nauwe persoonlijke betrekking als bedoeld in art. 1:377f BW kan rechtvaardigen, van belang heeft geacht dat het aanvankelijk de bedoeling was dat de man het kind zou erkennen. Deze omstandigheid bleef in de niet onbegrijpelijke gedachtegang van het hof voor de beoordeling van belang, ook al is in een later stadium het contact (door de man) verbroken doordat verschillen van mening ontstonden over de mate waarin de man een functie in het leven van zijn kind zou vervullen, zoals het hof in rov. 4.2 heeft uiteengezet. 3.5.3 In de onderdelen 1.13 en 1.14 worden verder nog omstandigheden aangevoerd die bevestigen dat, zoals het hof in rov. 4.4 onder ogen heeft gezien, het contact tussen de moeder en de man voor de geboorte van [de dochter] is verbroken en dat nadien nauwelijks contact tussen de man en [de dochter] heeft plaatsgevonden. Niet onbegrijpelijk is echter dat het hof, dat aannemelijk achtte dat de man is blijven vasthouden aan zijn wens om omgang met [de dochter] te hebben, in die omstandigheden onvoldoende grond heeft gezien de man in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling niet-ontvankelijk te verklaren wegens het niet langer bestaan van de vereiste nauwe persoonlijke betrekking. 3.6 Het hof heeft in afwachting van het door de Raad voor de Kinderbescherming in te stellen onderzoek nog geen oordeel gegeven over de toewijsbaarheid van het verzoek. Het heeft in rov. 4.6 overwogen dat het de stelling van de moeder dat contact tussen [de dochter] en de man niet in het belang van [de dochter] is, onvoldoende concreet achtte om op voorhand te veronderstellen dat het belang van [de dochter] zich tegen het vaststellen van een omgangsregeling met de man verzet. Aldus heeft het hof slechts tot uitdrukking gebracht dat het in te stellen onderzoek niet bij voorbaat zinloos is. De voorwaarde waaronder onderdeel 2 is voorgesteld, te weten dat het hof zou hebben geoordeeld dat een omgangsregeling in het belang van [de dochter] is, is derhalve niet vervuld, zodat het geen behandeling behoeft. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 november 2007.