Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9140

Datum uitspraak2007-11-16
Datum gepubliceerd2007-11-30
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers07 / 937
Statusgepubliceerd


Indicatie

Kind waarvoor AKW was aangevraagd behoorde op de peildatum van het betreffende kwartaal niet tot het huishouden van eiseres. Kind behoorde op de peildatum pas vanaf 10.00 uur tot het huishouden van eiseres. Het tijdstip 0.00 uur is echter bepalend. Hoewel de uitspraak van de CRvB van 3 maart 1995, LJN AN4376, ziet op gevallen wanneer een kind tot twee huishoudens behoort, is deze uitspraak voor wat betreft het uitgangspunt dat de situatie om 0.00 uur bepalend is, wel op de situatie van eiseres van toepassing.


Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht Zaaknummer: 07/937 AKW Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak van: [naam], wonende te Amsterdam, eiseres, tegen de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder. Ontstaan en loop van de zaak Bij besluit van 9 maart 2007 heeft verweerder aan eiseres met ingang van het tweede kwartaal van 2007 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend ten behoeve van [naam (kind)], geboren op 21 december 1992. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 11 april 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de toekenning van de kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2007 gehandhaafd en geweigerd aan eiseres de kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2007 toe te kennen. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij brief van 20 april 2007. De zaak is op 8 oktober 2007 ter zitting behandeld. Eiseres is niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. [naam]. Motivering 1. In geschil is of verweerder terecht en op goede gronden aan eiseres over het eerste kwartaal van 2007 kinderbijslag heeft geweigerd voor haar zoon [[naam (kind)]. 2. Voor de beoordeling hiervan is met name de volgende regelgeving van belang. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind dat jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort, of jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de AKW, voor zover hier van belang, worden voor het vaststellen van het aantal kinderen, waarvoor over een kalenderkwartaal recht op kinderbijslag bestaat, slechts in aanmerking genomen de kinderen te wier aanzien aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7 is voldaan op de eerste dag van dat kwartaal. 3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit van 11 april 2007 en de overige gedingstukken op het standpunt gesteld dat eiseres geen aanspraak maakt op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2007, omdat [[naam (kind)] niet tot haar huishouden behoorde op de eerste dag van dat kwartaal. Daarbij is volgens verweerder de situatie zoals die was op de peildatum om 0.00 uur beslissend. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 maart 1995, AB 1995, 458. Volgens de door eiseres verstrekte informatie verbleef [[naam (kind)] op 1 januari 2007 tot 10.00 uur bij zijn vader. Hierdoor is niet meer van belang of eiseres [[naam (kind)] in belangrijke mate heeft onderhouden gedurende het eerste kwartaal van 2007. Verweerder heeft erop gewezen dat niet kan worden afgeweken van de dwingende bepalingen zoals neergelegd in artikel 11, tweede lid, van de AKW. Daarom is volgens verweerder de kinderbijslag terecht met ingang van het tweede kwartaal van 2007 aan eiseres toegekend. 4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij wel recht heeft op kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2007, omdat zij [[naam (kind)] vanaf 1 januari 2007 heeft verzorgd. Zij heeft erop gewezen dat de vader van [[naam (kind)] over dit kwartaal geen bijdrage in de kosten heeft geleverd. 5. Niet in geschil is dat [[naam (kind)] op de peildatum 1 januari 2007 om 0.00 uur bij zijn vader verbleef, tot wiens huishouden hij ook behoorde. Vervolgens is [[naam (kind)] op diezelfde datum om 10.00 uur bij eiseres gaan wonen. De rechtbank overweegt dat, hoewel de uitspraak van de CRvB van 3 maart 1995 waar verweerder naar heeft verwezen, ziet op gevallen wanneer een kind tot twee huishoudens behoort, deze uitspraak voor wat betreft het uitgangspunt dat de situatie om 0.00 uur op de peildatum bepalend is, in de situatie van eiseres overeenkomstig kan worden toegepast. 6. De rechtbank overweegt dat evenmin in geschil is dat eiseres [[naam (kind)] in het eerste kwartaal van 2007 niet in belangrijke mate heeft onderhouden. In haar beroepschrift heeft eiseres juist aangegeven niet in staat te zijn [[naam (kind)] in voldoende mate te kunnen onderhouden. Ook al zou eiseres over het eerste kwartaal van 2007 recht hebben op kinderbijslag voor [naam (kind)], dan zou deze niet aan haar worden uitbetaald, maar aan degene tot wiens huishouden het kind op de peildatum behoort. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de kinderbijslag over het eerste kwartaal van 2007 aan de vader van [naam (kind)] is toegekend en uitbetaald. Voor zover eiseres meent dat dit ten onrechte is, overweegt de rechtbank dat deze toekenning in deze zaak niet ter beoordeling voorligt. 7. Nu ten aanzien van [naam (kind)] op de peildatum niet aan alle voorwaarden, bedoeld in artikel 7 van de AKW was voldaan, oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht en op goede gronden aan eiseres kinderbijslag heeft geweigerd over het eerste kwartaal van 2007. Het beroep is dus ongegrond. 8. Voor een proceskostenveroordeling is bij deze beslissing geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 16 november 2007 door mr. drs. C.M. van Wechem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.J.H. Best, griffier. griffier rechter Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep instellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.