
Jurisprudentie
BB9157
Datum uitspraak2007-11-23
Datum gepubliceerd2007-12-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5884 WAO-VV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5884 WAO-VV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering. Minder dan 15% arbeidsongeschikt. Afwijzing verzoek voorlopige voorziening geen sprake van spoedeisend belang.
Uitspraak
07/5884 WAO-VV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:
[Verzoekster],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 23 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij brief van 28 juni 2007 heeft mr. F.H. Garretsen, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van verzoekster hoger beroep ingesteld (bij de Raad aanhangig onder registratienummer 07/3746) tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2007, nr. 06/788.
Bij brief van 16 oktober 2007 heeft mr. Garretsen, namens verzoekster de Raad verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2007. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Garretsen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 23 januari 2006 is ongegrond verklaard het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 16 september 2005, waarbij de WAO uitkering van verzoekster, die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 november 2005 is ingetrokken omdat verzoekster per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij uitspraak van 10 mei 2007 heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het besluit van 23 januari 2006 ongegrond verklaard.
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Verzoekster heeft aangegeven dat de noodzaak tot het indienen van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarin is gelegen dat de (loongerelateerde)uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) die aan haar bij besluit van 16 januari 2006 is toegekend met ingang van 17 november 2005 voor de duur van twee jaar, eindigt op 16 november 2007. Verzoekster is dan aangewezen op een bijstandsuitkering; dit zal een belangrijke terugval in inkomsten betekenen.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Hierbij acht de voorzieningenrechter het van belang dat slechts is gewezen op de achteruitgang van de inkomsten van verzoekster vanaf 17 november 2007, doch dat niet is gebleken van concrete (onaanvaardbare) gevolgen die daaruit zouden voortvloeien.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.
Voor vergoeding van proceskosten en griffierecht ziet de voorzieningenrechter ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M. Lochs.
MR

