Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9185

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-12-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/5588 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting. Niet aangetoond is dat de op 1 augustus 2004 ontstane arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten.


Uitspraak

05/5588 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem van 5 augustus 2005, 05/1103 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met ingang van 15 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 november 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven beperkingen van appellante voor onjuist te houden. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het beroep op artikel 39a van de WAO faalt omdat niet aangetoond is dat de op 1 augustus 2004 ontstane arbeids-ongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten. Met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functies was de rechtbank evenwel van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de door de Raad geformuleerde eisen ten aanzien van de motivering. De rechtbank heeft geconcludeerd dat met de rapportage van 26 mei 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes de schatting in beroep alsnog is voorzien van een deugdelijke toelichting. Omdat deze motivering eerst in beroep is ingebracht, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld het griffierecht en de proceskosten (tot een bedrag van € 322,-) aan appellante te vergoeden. Het hoger beroep richt zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen. Appellante heeft aangevoerd dat zij op en na de in geding zijnde datum van 15 juni 2004 forser beperkt was dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. Er is geen rekening gehouden met het feit dat ze in verband met haar lichamelijke klachten is doorverwezen naar een fysiotherapeut en een neuroloog. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op de brieven van de neuroloog van 1 juni 2005 en 23 juni 2005 waarin staat dat uit een EMG is gebleken dat appellante zowel links als rechts aanwijzingen kent voor een carpaal tunnel syndroom. Tevens heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat artikel 39a van de WAO niet van toepassing is, aldus appellante. De Raad oordeelt als volgt. Anders dan appellante, en met de rechtbank, is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond bestaat voor twijfel aan de door het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante. Appellante is lichamelijk onderzocht, er is medische informatie opgevraagd en in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is met de beperkingen van appellante rekening gehouden. De door appellante ingebrachte medische informatie, waaronder de brieven van de neuroloog, maakt dat oordeel niet anders. Uit die stukken blijkt niet dat appellante op de datum in geding meer of anders beperkt is dan is opgenomen in de FML. In dit verband verwijst de Raad naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 12 juli 2005. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat artikel 39a van de WAO niet van toepassing is. De ziekenhuisopname van appellante op 1 augustus 2004 hield verband met galstenen en de daardoor ontstane arbeids-ongeschiktheid komt niet voort uit dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellante uitkering genoot. De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv aan appellante voldoende functies heeft voorgehouden die vallen binnen de belastbaarheid van appellante. Mede met de in beroep ingebrachte rapportage van de arbeidsdeskundige van Neefjes heeft het Uwv in voldoende mate gemotiveerd waarom appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van machinaal metaalbewerker, productiemedewerker industrie en inpakker te verrichten. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007. (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) A.C.W. Ris-van Huussen. MH