Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9191

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-12-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1356 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Toekenning WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Gelet op het geheel van gezondheidsklachten en beperkingen is betrokkene in staat de voorgehouden functies te vervullen.


Uitspraak

06/1356 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2006, 05/957 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007. Namens appellante is verschenen mr. Boomstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.G. van der Meer. II. OVERWEGINGEN Op 18 september 2003 is appellante uitgevallen voor haar werk als cateringsmedewerker. Bij besluit van 15 september 2004 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 10 september 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij het thans bestreden besluit van 6 april 2005 heeft het Uwv het tegen het besluit van 15 september 2004 door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is, kort weergegeven, gesteld, en appellante heeft dit in hoger beroep herhaald, dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij de geselecteerde functies niet kan uitoefenen. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven Ook de Raad is al met al van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellante op de datum in geding, gelet op het geheel van haar gezondheidsklachten en beperkingen in staat was de haar door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in haar rapport van 23 december 2004 de in de bezwaarfase van de besluitvorming ontvangen onderzoeksgegevens van de behandelende sector in haar heroverweging heeft betrokken en daarin gemotiveerd geen aanleiding heeft gezien af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Gezien het vorengemelde acht de Raad zich voldoende voorgelicht omtrent de voor appellante geldende arbeidsbeperkingen en ziet hij geen aanleiding om aan het verzoek van appellante te voldoen om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007. (get.) D.J. van der Vos. (get.) T.R.H. van Roekel. JL