Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9224

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-12-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6759 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting. Motivering biedt voldoende grondslag voor de conclusie dat de geduide functies als passend kunnen worden aangemerkt.


Uitspraak

05/6759 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 oktober 2005, 05/554 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 november 2007 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door R.J. Reynen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. Budel. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 5 december 2000 heeft het Uwv geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 27 september 2001 gegrond verklaard en aan appellant is per 15 januari 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Bij besluit van 18 april 2002 is de aan appellant toegekende uitkering per 18 juni 2002 ingetrokken om de reden dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 21 januari 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 19 april 2004 het beroep tegen het besluit van 27 september 2001 en het besluit van 21 januari 2003 gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en het Uwv opgedragen nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld het griffierecht aan appellant te vergoeden. De rechtbank heeft in de uitspraak overwogen dat het medische deel van de schattingen de rechterlijke toets kan doorstaan maar dat de arbeidskundige component een deugdelijke motivering ontbeert. Bij besluit van 28 december 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar deels gegrond verklaard. Aan appellant is zowel per 15 januari 2001 als per 18 juni 2002 een WAO-uitkering toegekend berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 19 april 2004. In hoger beroep heeft appellant zijn stelling dat het Uwv geen goede uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank herhaald. De door de rechtbank ingeschakelde deskundige heeft immers aangegeven dat appellant meerdere beperkingen heeft. Aanvullend heeft appellant een uitleg van zijn klachten gegeven en nader aangegeven dat zowel het Uwv als de rechtbank niet de juiste conclusies hebben getrokken uit het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige. De Raad overweegt als volgt. Allereerst stelt de Raad vast - zoals ook al door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen - dat het medische deel van de schatting door de rechtbank in de uitspraak van 19 april 2004 in orde is bevonden. Nu appellant niet in hoger beroep is gekomen tegen die uitspraak, is het medische deel in rechte komen vast te staan, zodat dat thans niet meer ter discussie gesteld kan worden. De Raad kan derhalve geen oordeel geven over de stelling van appellant dat hij meer beperkingen heeft. Vervolgens is de Raad - eveneens met de rechtbank - van oordeel dat met het bestreden besluit aan de uitspraak van 19 april 2004 tegemoet is gekomen. Het Uwv heeft conform die uitspraak het arbeidskundige deel van de schatting van een afdoende motivering voorzien en deels nieuwe functies geduid. De Raad volgt de overwegingen van de rechtbank dat die motivering voldoende grondslag biedt voor de conclusie dat de geduide functies als passend kunnen worden aangemerkt. De Raad maakt deze overwegingen tot de zijne. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007. (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen. (get.) A.C.W. Ris-van Huussen. JL