Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9240

Datum uitspraak2007-11-29
Datum gepubliceerd2007-12-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1553 ABP
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om herziening van een reeds eerder met toepassing van artikel 8:88 van de Awb gewezen uitspraak wordt als zinloos en dus als in het systeem van de Awb niet passend beschouwd. Verzoek wordt niet ontvankelijk verklaard.


Uitspraak

05/1553 ABP Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K met toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 17 van de Beroepswet op het verzoek van: [verzoekster] (hierna: verzoekster), om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 2000, nr. 97/7249 ABP, waarbij is beslist op het verzoek om herziening van de door die Raad op 23 mei 1996, nr. 95/2709 ABP gegeven uitspraak, in het geding tussen: verzoekster en het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP als rechtsopvolger van het bestuur van het voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds (hierna: het Pensioenfonds Abp). Datum uitspraak: 29 november 2007 I. PROCESVERLOOP Verzoekster heeft bij brief van 1 maart 2005 herziening verzocht van de door de Raad op 2 maart 2000 onder nummer 97/7249 ABP gegeven uitspraak. Bij brief van 26 mei 2007 met bijlagen heeft verzoekster de gronden ingediend. Het Pensioenfonds heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 16 augustus 2007 vragen van de Raad beantwoord. Verzoekster heeft zich op 30 augustus 2007 schriftelijk tot de Raad gewend en enkele stukken ingezonden. Bij brief van 18 september 2007 heeft de fungerend president van de Raad verzoekster meegedeeld dat niet zal worden voldaan aan haar verzoek om nog voor de zitting een in de psychiatrie gespecialiseerde deskundige in te schakelen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007 2006, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde drs. V.C.M. van de Geijn-Oliehoek, psychiater te Leiden, en waar het Pensioenfonds zich heeft laten vertegenwoordigen door P.C.M. Satijn. De zaak is gevoegd behandeld met het geding tussen verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, nr. 05/2213 WAO. Na de zitting zijn de gedingen gesplitst. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 17 van de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. In haar brief van 1 maart 2005 vraagt verzoekster uitsluitend om herziening van de meergenoemde uitspraak van de Raad van 2 maart 2000. Ter zitting van de Raad is eveneens gebleken dat het verzoek uitsluitend de uitspraak van 2 maart 2000 betreft. Die uitspraak houdt een afwijzende beslissing in op het verzoek van verzoekster om herziening van de onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad van 23 mei 1996, 95/2709 ABP. Blijkens vaste jurisprudentie van de Raad – zie bijvoorbeeld de door verzoekster aangehaalde uitspraak van 18 mei 2006, LJN: AX6446 – wordt, gelet op de omstandigheid dat op grond van artikel 8:88 van de Awb immer van een (oorspronkelijke) uitspraak herziening kan worden gevraagd, indien de in dat artikel genoemde feiten en omstandigheden zich voordoen, het doen van een verzoek om herziening van een reeds eerder met toepassing van artikel 8:88 van de Awb gewezen uitspraak als zinloos en dus als in het systeem van de Awb niet passend beschouwd. Een dergelijk verzoek moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. In hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding om van zijn vaste jurisprudentie af te wijken. Voor toekenning van de door verzoekster gevraagde proceskostenvergoeding ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. TM