
Jurisprudentie
BB9259
Datum uitspraak2007-11-29
Datum gepubliceerd2007-12-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2213 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2213 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herhaalde aanvraag WAO-uitkering. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Uitspraak
05/2213 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 februari 2005, 04/2493 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Bij brieven van 26 en 29 mei 2005 en van
26 mei 2007 heeft zij de gronden aangevuld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 18 september 2007 heeft de fungerend president van de Raad appellante medegedeeld dat niet zal worden voldaan aan haar verzoek om nog voor de zitting een in de psychiatrie gespecialiseerde deskundige in te schakelen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007, waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde drs. V.C.M. van de Geijn-Oliehoek, psychiater te Leiden, en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. V. van Riet. De zaak is gevoegd behandeld met het herzieningsverzoek van appellante, geregistreerd onder nr. 05/1553 ABP. Na de zitting zijn de gedingen gesplitst.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluiten van 9 juli 1981 heeft de directie van het voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp) verklaard dat appellante uit hoofde van ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is voor haar functie als onderwijzeres, dat zij niet herplaatsbaar is en dat zij per 1 september 1981 voor 65 tot 80% algemeen invalide is. Bij beslissingen van
30 december 1983, 24 februari 1986 en 1 november 1988 is de invaliditeitsgraad ongewijzigd gehandhaafd. Tegen geen van deze beslissingen heeft appellante bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van een verzoek van appellante van 1 februari 1990 heeft de hoofddirectie van het Abp bij besluit van 13 juli 1990 verklaard dat appellante per
1 februari 1990 voor 80% of meer invalide is.
Bij besluit van 17 juni 1993 heeft het Abp afwijzend beslist op het verzoek van appellante haar invaliditeit met terugwerkende kracht tot 1 september 1981 op 80% of meer te stellen. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van
16 juni 1994 door het bestuur van het Abp ongegrond verklaard. Bij uitspraak van
17 mei 1995 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van
23 mei 1996 bevestigd. Een door appellante op 30 juni 1997 gedaan verzoek deze uitspraak te herzien is door de Raad bij uitspraak van 2 maart 2000 afgewezen.
Bij brief van 17 december 2002 heeft appellante het Uwv opnieuw verzocht haar invaliditeit met terugwerkende kracht tot 1 september 1981 op 80% of meer te stellen. Bij dit verzoek heeft zij een afschrift van het medisch journaal van haar huisarts uit 1977 overgelegd, dat zij pas op 17 juni 2002 in haar bezit had gekregen en waaruit naar haar mening bleek dat er ten tijde van de beslissing van 9 juli 1981 bij haar sprake was van psychopathologie, namelijk een neurotisch depressief syndroom.
Het Uwv heeft appellantes verzoek bij besluit van 23 mei 2003 afgewezen op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Bij besluit van 29 april 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 23 mei 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit 23 mei 2003, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij onder meer overwogen dat het medisch journaal van de huisarts niet aangemerkt kan worden als een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat de in beroep overgelegde verklaring van 7 juni 2004 van de zenuwarts
G.W. de Graaff, die appellante heeft behandeld in de periode 1976/1977 niet in aanmerking kan worden genomen omdat deze eerst in beroep is overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is tot heroverweging van de mate van arbeidsongeschiktheid over de periode 1981 tot 1990.
Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. In hoger beroep heeft zij, kort weergegeven, aangevoerd dat zij er buiten haar schuld eerst recent in is geslaagd nieuw feitenmateriaal te verzamelen waaruit blijkt dat bij de besluitvorming in 1981 ten onrechte geen rekening is gehouden met psychische ziekte waardoor een onjuist percentage invaliditeit en ongeschiktheid van 65 tot 80% is vastgesteld. Appellante wijst in dit verband opnieuw naar de journaalaantekeningen van haar huisarts uit 1977, de brief van 7 juni 2004 van De Graaff, een in de bezwarenprocedure overgelegde brief van
17 februari 2004 van psychiater Van de Geijn-Oliehoek bij wie zij sedert 1994 in behandeling is, een brief van 21 maart 2007 van de bedrijfsarts H. Kleinloog, die destijds de pensioenkeuring heeft verricht en ten slotte op een haar tot voor kort onbekend dossier inzake een beoordeling in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waaruit blijkt dat zij vanaf 10 september 1980 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van deze wet. Appellante meent verder dat een deskundigenonderzoek aan het licht zal brengen dat zij op grond van psychopathologie al in de periode van 1981 tot 1990 geheel arbeidsongeschikt was. Voorts heeft appellante erover geklaagd dat zij ter zitting van de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld haar materiële grieven nader toe te lichten en dat de rechtbank niet is ingegaan op de brieven van De Graaff en Van der Geijn-Oliehoek.
De Raad stelt vast dat appellante haar inhoudelijke grieven in de procedure voorafgaand aan de zitting van de rechtbank uitvoerig uiteen heeft gezet. De Raad maakt voorts uit het procesverbaal van de zitting bij de rechtbank op dat appellante het tweede deel van haar pleitnota, die de toelichting van haar materiële grieven bevat, heeft overgelegd. De rechtbank heeft deze grieven ook in de aangevallen uitspraak besproken. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat er sprake is geweest van strijd met de goede procesorde. De rechtbank heeft voorts wel degelijk een, zij het procedureel, oordeel gegeven over de brief van 7 juni 2004 van zenuwarts De Graaff. Verder heeft zij zich gesteld achter het rapport van 2 april 2004 van bezwaarverzekeringsarts Waasdorp, die daarin onder meer de brief van 17 februari 2002 van Van de Geijn-Oliehoek bespreekt.
Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak overweegt de Raad als volgt.
Het besluit van 9 juli 1981, met betrekking tot het percentage algemene invaliditeit van appellante is onherroepelijk en rechtens onaantastbaar geworden. Dat besluit staat thans ook niet ter beoordeling. Ter beoordeling staat het thans bestreden besluit, dat een afwijzing behelst op appellantes verzoek om terug te komen op dit besluit van
9 juli 1981. Deze beoordeling kan, zoals de Raad al vele malen heeft overwogen, niet de weg openen naar een beoordeling als betrof het een beoordeling van het oorspronkelijke besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook in zo een geval het oorspronkelijke besluit als een gegeven te beschouwen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding hadden behoren te vinden het oorspronkelijke besluit te herzien. In het hiervoor beschreven toetsingskader past in beginsel dan ook niet dat de rechter opdracht geeft tot het verrichten van nader onderzoek als een psychiatrische expertise. Ook in het onderhavige geval ziet de Raad daartoe geen aanleiding.
Naar het oordeel van de Raad kunnen de thans door appellante overgelegde stukken niet worden gezien als nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan het Uwv de oorspronkelijke besluitvorming had behoren te herzien. De brief van 17 februari 2004 van Van de Geijn-Oliehoek betreft in hoofdzaak een nadere precisering van een al eerder gegeven opinie. Hetzelfde moet worden gezegd van de in uitermate voorzichtige bewoordingen gestelde brief van 21 maart 2007 van Kleinloog, waarbij dan nog wordt daargelaten dat het Uwv bij zijn besluitvorming daarmee geen rekening heeft kunnen houden. De door de zenuwarts De Graaff in 1976/1977 gestelde, maar pas recent aan het licht gekomen diagnose “neurotisch-depressief syndroom bij psychasthene vrouw” in samenhang met diens naar aanleiding van de rapportage van 2 april 2004 van de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp opgestelde toelichtende brief van 7 juni 2004 vormt naar het oordeel van de Raad geen omstandigheid op grond waarvan de oorspronkelijke besluitvorming had moeten worden herzien. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat De Graaff appellante heeft behandeld van 25 november 1976 tot 14 april 1977, terwijl het thans gaat over haar gezondheidstoestand rond 1 september 1981, dus 4 ½ jaar later, en ook dat appellante gedurende de behandeling van De Graaff tot een tijdstip van ruim twee jaar later kans heeft gezien haar werkzaamheden als onderwijzeres voort te zetten, terwijl in de rapportages van de artsen die appellante tussen 1977 en 1984 hebben onderzocht geen melding wordt gemaakt van mogelijke psychische problemen.
Het door appellante in hoger beroep overgelegde AAW-dossier is ter zitting uitvoerig besproken en voldoende toegelicht door de gemachtigde van de Stichting Pensioenfonds Abp. De Raad volstaat ermee vast te stellen dat in het kader van de AAW een fictieve beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden die een geheel andere is dan de latere beoordeling in het kader van het recht op invaliditeitspensioen en die daarvoor ook geen gevolgen heeft.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor toekenning van de door appellante gevraagde proceskostenvergoeding ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en
C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM

