Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9267

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-12-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6169 WSF
Statusgepubliceerd


Indicatie

Studiefinanciering. Vordering wegens meerinkomen over 2001. Weigering van de IB-Groep om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken.


Uitspraak

06/6169 WSF Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op de hoger beroepen van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 22 september 2006, 05/780 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Datum uitspraak: 30 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld. De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2007. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde M.H. Smit-den Blanken. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. M. van der Toorn. II. OVERWEGINGEN Aan appellant is door de IB-Groep studiefinanciering toegekend. Na controles van de neveninkomsten van appellant aan de hand van door de IB-Groep bij de belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens, heeft de IB-Groep het toetsingsinkomen van appellant over het studiefinancieringstijdvak 2001 vastgesteld op € 19.194,87. Bij de berekening van dit toetsingsinkomen is onder meer een bedrag ter zake van voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen. Op grond hiervan heeft de IB-Groep bij besluit van 18 januari 2005 ten laste van appellant een vordering wegens meerinkomen vastgesteld van in totaal € 3.161,76. Het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de vordering wegens meerinkomen over 2001 is bij besluit van 5 april 2005 (bestreden besluit) door de IB-Groep onder verwijzing naar artikel 3.17 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat uitsluitend in een zeer bijzondere situatie, waarbij het voor de studerende onmogelijk is geweest om bijverdiensten te staken of het studiefinancieringstijdvak in te korten, met succes een beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het inleidende beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft zich hier niet mee kunnen verenigen. Daartoe is - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Appellant heeft vermogen gekregen uit de nalatenschap van zijn overleden grootmoeder. In verband daarmee is bij de vaststelling van het toetsingsinkomen over 2001 verondersteld voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen. Appellant acht dat onredelijk omdat zijn moeder het bewind voerde over de erfenis en hij er in het geheel niet over kon beschikken. Zonder de studiefinanciering had hij in het geheel niet kunnen studeren. De Raad overweegt het volgende. Bij de met ingang van 1 januari 2001 in werking getreden wet Aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 zijn het tweede en zesde lid van artikel 3.17 van de WSF 2000 gewijzigd. Sindsdien luidt artikel 3.17, voor zover in dit geding van belang, als volgt: “1. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van de IB-Groep op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet (…). (…) 2. Het toetsingsinkomen is het totaal van: a. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de ingehouden loonbelasting en premies volksverzekeringen en de door de werkgever en de werknemer verschuldigde premie voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet, b. De belastbare winst uit onderneming, bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, genoten in het desbetreffende kalenderjaar, (…) d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld in afdeling 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001; f. het voordeel uit sparen en beleggen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…) 5. Bij de berekening van het toetsingsinkomen blijft buiten beschouwing inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij zonder onderbreking geen studerende was in de zin van deze wet of waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Dit kan slechts de periode betreffen: a. die begint bij de aanvang van het kalenderjaar, of b. die eindigt bij het einde van het kalenderjaar. 6. Wanneer de studerende een bedrijf uitoefende, wordt, voor de toepassing van het vijfde lid, de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, die is behaald in het desbetreffende kalenderjaar, op zijn aanvraag herleid tot maandbedragen door die winst te delen door 12. 7. Indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, is die studerende aan de IB-Groep verschuldigd: a. een bedrag ter grootte van het meerinkomen, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan het bedrag van de met betrekking tot dat kalenderjaar door die studerende ontvangen beurs, en b. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de kaart, bedoeld in artikel 3.7, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend. (…) 10. Een aanvraag van de studerende aan de IB-Groep om zijn studiefinanciering te beëindigen heeft voor de toepassing van het vijfde lid uitsluitend werking met betrekking tot kalendermaanden na de datum van indiening van deze aanvraag.” Naar het oordeel van de Raad heeft de IB-Groep het toetsingsinkomen van appellant in het controlejaar 2001 berekend in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.17 van de WSF 2000. In dit verband merkt de Raad op dat de tekst van het tweede lid, aanhef en sub f, van artikel 3.17 van de WSF 2000, alsmede de tekst van het tiende lid van dat artikel, als wet in formele zin volstrekt helder is en geen ruimte laat voor twijfel over de strekking ervan. Derhalve ziet de Raad geen grond om deze dwingendrechtelijke bepalingen anders dan strikt grammaticaal uit te leggen. De Raad merkt nog op dat hij ingevolge artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen de innerlijke waarde en de billijkheid van de wet niet mag toetsen. Aan de orde is vervolgens de vraag of de IB-Groep aanleiding had behoren te vinden om met toepassing van de in artikel 11.5 van de WSF 2000 neergelegde hardheidsclausule af te wijken van het tweede lid, aanhef en sub f, en/of het tiende lid van artikel 3.17 van de WSF 2000. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. In artikel 11.5 van de WSF 2000 is aan de IB-Groep de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze hardheidsclausule biedt de IB-Groep niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een in de WSF 2000 opgenomen wettelijke bepaling, indien de onverkorte toepassing van die wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. Uit de volstrekt heldere tekst van artikel 3.17, tweede lid, aanhef en sub f, van de WSF 2000 kan niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet is dat indien de belastingdienst voor de heffing van inkomstenbelasting over een kalenderjaar een verondersteld voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking neemt, de IB-Groep daar - behoudens eventuele (analoge) toepassing van het vijfde lid van artikel 3.17 van de WSF 2000 - voor de bepaling van het toetsingsinkomen bij aansluit. Verder is de Raad uit de gedrukte stukken met betrekking tot specifiek deze wettelijke bepaling niet kunnen blijken dat een strikte uitleg en toepassing ervan in het onderhavige concrete geval niet in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever. Daarom is de Raad van oordeel dat er geen grond is om te bepalen dat de IB-Groep in het onderhavige geval met toepassing van de hardheidsclausule af moet wijken van artikel 3.17, tweede lid, aanhef en sub f, van de WSF 2000. Dat het vermogen van appellant en de werkelijke inkomsten daaruit ten tijde van belang onder bewind stonden van zijn moeder, zodat hij daar toen niet zelfstandig over kon beschikken, doet volgens constante rechtspraak niet aan het voorgaande af. In dit verband wijst de Raad op uitspraken van het College van beroep studiefinanciering van 28 december 1994, WSF 30487492 (USF 1988-1997, 36) en 10 januari 1996, WSF 20089392-20252293-20131294 (USF 1988-1997, 50). Naar aanleiding van het beroep dat door appellant is gedaan op de uitspraak van rechtbank Zwolle van 19 juni 2006, 05/871 en 05/873 (LJN AX9317, USF 2005-2006, 28) merkt de Raad in dit verband nog op dat de IB-Groep tegen die uitspraak hoger beroep heeft ingesteld en dat dit heeft geleid tot vernietiging van de aangehaalde uitspraak. Ten aanzien van de weigering van de IB-Groep om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 3.17, tiende lid, van de WSF 2000 overweegt de Raad als volgt. De IB-Groep hanteert bij de toepassing van de hardheidsclausule een vaste gedragslijn die inhoudt dat - kort weergegeven - de omstandigheid dat een studerende niet heeft kunnen of in redelijkheid niet heeft behoeven te anticiperen op een overschrijding van de vrije voet een omstandigheid vormt op grond waarvan de IB-Groep met toepassing van de hardheidsclausule afwijkt van artikel 3.17, tiende lid, van de WSF 2000, mits deze studerende na de overschrijding van de vrije voet de IB-Groep daarvan alsnog uit eigen beweging en met enige voortvarendheid op de hoogte heeft gesteld. Daarbij geldt wat betreft het studiefinancieringstijdvak 2001 dat een verzoek om toepassing te geven aan deze gedragslijn moet zijn ingediend voor 1 april 2004. Volgens constante rechtspraak kan wat betreft de hiervoor weergegeven vaste gedragslijn, met inbegrip van de daarin voor 2001 opgenomen termijn, niet worden gezegd dat deze gedragslijn een onredelijke invulling vormt van de bevoegdheid van de IB-Groep om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de wet. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 26 januari 2007, 06/1416 WSF (LJN AZ7267). Verder is de Raad wat betreft de toepassing van genoemde gedragslijn in het onderhavige geval van oordeel dat de IB-Groep zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de van de gedragslijn deel uitmakende voorwaarde dat een verzoek binnen de daartoe vastgestelde termijn moet worden ingediend. Appellant heeft immers pas naar aanleiding van de ten laste van hem vastgestelde vordering wegens meerinkomen (impliciet) verzocht om het studiefinancieringstijdvak 2001 in te korten, terwijl niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan verschoonbaar moet worden geacht dat appellant niet eerder een zodanig verzoek heeft ingediend of tenminste opgave heeft gedaan van zijn meerinkomen in 2001. In dit verband is door de Raad overwogen dat in het voorlichtingsmateriaal inzake de gevolgen van eigen inkomsten naast studiefinanciering, zoals dat ten tijde van belang door de IB-Groep is verspreid, duidelijk is vermeld dat voordeel uit sparen en beleggen wordt gerekend tot het toetsingsinkomen. Gelet op de ingrijpende wijzigingen in het Nederlandse belastingstelsel per 2001 en de omvang van het aan appellant toegevallen vermogen, had het bovendien zonder meer op zijn weg gelegen om uit eigen beweging aan de IB-Groep opgaaf te doen van dit vermogen. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007. (get.) J. Janssen. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. TM