Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9372

Datum uitspraak2007-11-22
Datum gepubliceerd2007-12-05
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/366 MPW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herhaalde aanvraag militair invaliditeitspensioen. Geen nieuwe feiten en omstandigheden.


Uitspraak

07/366 MPW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de erven van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend in Posterholt, (hierna: de erven), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 december 2006, nr. 06/929 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen: [betrokkene] en de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris) Datum uitspraak: 22 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens de erven is hoger beroep ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Namens de erven is verschenen mr. M. Smid, werkzaam bij de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Geldof van Doorn, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1.Wijlen de heer [betrokkene] (verder: betrokkene) heeft op 12 januari 2004 een verzoek om toekenning van een militair invaliditeitspensioen ingediend. Hierop is door de staatssecretaris bij besluit van 6 augustus 2004 afwijzend beslist. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. 1.2. Bij rekest van 21 december 2004 heeft betrokkene opnieuw verzocht om in aanmerking te worden gebracht voor een invaliditeitspensioen. Bij besluit van 31 januari 2005 heeft de staatssecretaris aan betrokkene meegedeeld dat het verzoek niet in behandeling wordt genomen omdat bij het verzoek geen andere gronden zijn aangevoerd dan de gronden die al bij de eerdere besluitvorming zijn betrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 december 2005 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door betrokkene tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3.1. Namens betrokkene en thans namens de erven is aangevoerd dat het verzoek van 21 december 2004 ten onrechte is aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 6 augustus 2004. Het verzoek had volgens de erven moeten worden aangemerkt als een verzoek om met ingang van een latere datum een invaliditeitspensioen te verstrekken en niet een verzoek om toekenning van invaliditeitspensioen met terugwerkende kracht. Aan betrokkene had dan een invaliditeitspensioen van 10 tot 15 % moeten worden toegekend. 3.2. Namens de staatssecretaris is dit standpunt gemotiveerd bestreden. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. Bij het in dit geding bestreden besluit is het verzoek van 21 december 2004, dus ingediend kort na het besluit van 24 november 2004 waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard, niet vergezeld was van enige (medische) onderbouwing, aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 6 augustus 2004. Het op 12 december 2005 namens betrokkene ingediende schrijven, met als bijlage een medisch rapport, heeft de staatssecretaris wel aangemerkt als een nieuw verzoek om aan betrokkene een invaliditeitspensioen toe te kennen, waarop een nieuw besluit is genomen. 4.2. De Raad volgt de rechtbank en de staatssecretaris in het standpunt dat het verzoek van 21 december 2004 een verzoek om herziening van het besluit van 6 augustus 2004 betreft en dat dit geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat met betrekking tot de vraag of sprake is van ziekten of gebreken die verband houden met de uitoefening van de militaire dienst. De gehandhaafde afwijzing door de staatssecretaris houdt ook naar het oordeel van de Raad in rechte stand. 5. Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep geen doel en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. 6. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007. (get.) A. Beuker-Tiltra. (get.) M.J.H. van Baalen. HD