Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9543

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-12-06
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/2283 WAJONG
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAJONG-uitkering ongewijzigd 45-55%. Medisch onderzoek zorgvuldig?


Uitspraak

07/2283 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 maart 2007, 05/1864 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft K. Abel, adviseur sociale zekerheid van de Juricon Adviesgroep b.v. te Assen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Namens appellant was aanwezig J.R. Beukema, kantoorgenoot van K. Abel, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. L.H.J. Ambrosius. II. OVERWEGINGEN Onder verwijzing naar de zaak 05/2190 WAJONG, waarin heden uitspraak wordt gedaan, volstaat de Raad met het volgende. In dit geding gaat het om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, verricht mede naar aanleiding van een verzoek van appellant om herkeuring. Bij besluit van 4 november 2004 heeft het Uwv beslist dat appellant ongewijzigd aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het door appellant tegen het besluit van 4 november 2004 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 12 oktober 2005, het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het bestreden besluit op een juiste, althans toereikende, medische grondslag. Echter, omdat het Uwv niet eerder dan in de beroepsprocedure adequaat heeft toegelicht dat de aan de theoretische schatting ten grondslag gelegde functies van produktiemedewerker textiel (Sbc-code 272043), medewerker tuinbouw (Sbc-code 111010) en textielproductenmaker (Sbc-code 111160) door appellant kunnen worden vervuld, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld zwaarder beperkt te zijn dan door de verzekeringsarts is aangenomen. Indien de werkelijke cognitieve beperkingen op het gebied van concentreren, verdeelde aandacht, executieve vermogen, geheugen, mentale traagheid, verhoogde afleidbaarheid en duurbelastbaarheid in aanmerking worden genomen, kunnen de geduide functies niet door appellant uitgevoerd worden. Voorts zijn van de kant van appellant dezelfde rapportages in het geding gebracht als genoemd in de uitspraak van de Raad in zaaknummer 05/2190 WAJONG. Het Uwv heeft in het verweerschrift verwezen naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 29 december 2006, waarin deze ingaat op de taak van de (bezwaar)verzekeringsarts en de rapporten van de neuropsychologen. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond bestaat voor twijfel aan de door het Uwv – op basis van de door de verzekeringsarts H. Jagt en de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen op 18 augustus 2004 respectievelijk 14 september 2004, 19 oktober 2004, 21 december 2004, 28 september 2005 en 16 januari 2006 uitgebrachte rapportages – in acht genomen medische beperkingen van appellant. Voor de conclusie dat het medisch onderzoek vanwege het Uwv niet zorgvuldig genoeg is geweest, bevatten de gedingstukken geen enkele concrete aanwijzing. Voorts ontbreekt een objectief medische grondslag voor het aannemen van verdergaande beperkingen dan die welke zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 18 augustus 2004. Voorts volgt de Raad de rechtbank in het oordeel dat met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.G.W.P. van Gorp van 18 december 2006 afdoende is gemotiveerd waarom appellant in staat moet worden geacht de voor hem geselecteerde functies te kunnen vervullen. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient mitsdien te worden bevestigd. Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007. (get.) J. Janssen. (get.) M. Lochs. TM