Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9547

Datum uitspraak2007-11-30
Datum gepubliceerd2007-12-06
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6554 WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAZ-uitkering toe te kennen. Juistheid vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag.


Uitspraak

05/6554 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 30 september 2005, 04/2118 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 30 november 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft M. Elfferich-van der Woude, adviseur sociale zekerheid te Landsmeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en J.W. Jeensma als medegemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.M.C. Beijen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. Bij besluit van 19 februari 2004 heeft het Uwv geweigerd appellante per 29 mei 2004 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen. Bij besluit van 8 november 2004 (bestreden besluit), aangevuld bij besluit van 20 januari 2005, heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, in die zin dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% blijft, maar dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt vastgesteld op 23 september 2002. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep betwist appellante de juistheid van dit oordeel. Aangevoerd is dat haar arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ is ingetreden in 1998. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst appellante naar een aantal ook reeds in beroep overgelegde stukken. In hoger beroep heeft appellante ook nog informatie van huidarts-fleboloog dr. E.M. de Boer, gedateerd 10 mei 2006, en een memo van medisch adviseur J.A. Bos-Zijlstra d.d. 16 mei 2006, ingezonden. De bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier heeft op deze stukken gereageerd in haar rapport van 11 juli 2006, hetgeen heeft geleid tot een commentaar van Bos-Zijlstra van 18 september 2007. De Raad overweegt als volgt. Ook in hoger beroep is het geschil tussen partijen beperkt tot het antwoord op de vraag, wanneer appellante arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is geworden. Appellante heeft op 30 oktober 2003 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAZ aangevraagd. In het door haar ondertekende aanvraagformulier heeft zij aangegeven dat 4 januari 2003 haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag is. In de loop van de procedure heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat haar arbeidsongeschiktheid veel eerder, namelijk in 1998, is aangevangen. De Raad stelt voorop dat, nu appellante haar aanvraag jaren na de - in de loop van de procedure - gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft ingediend, naar vaste rechtspraak het nadeel dat de medische situatie van appellante mogelijk niet meer met zekerheid is vast te stellen voor haar rekening en risico komt. De Raad heeft in de stukken noch in hetgeen ter terechtzitting door de gemachtigden van appellante naar voren is gebracht, aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de in bezwaar door het Uwv vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag (23 september 2002). De Raad heeft hierbij betrokken dat appellante bij haar aanvraag zelf 4 januari 2003 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft aangegeven en dat de bezwaarverzekeringsarts R.A. Hollander, die de beschikking had over de informatie van de behandelende artsen, afdoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Ook uit de in beroep en hoger beroep overgelegde medische gegevens blijkt niet dat appellante op een datum vóór 23 september 2002 arbeidsongeschikt is geworden. Noch in 1998 noch in 2002 zijn door de fleboloog bij Doppler-onderzoek afwijkingen gevonden. Anders dan in 1998 is op 23 september 2002 wel de diagnose varices gesteld en werd enig oedeem aangetroffen. Voorts is het advies aan appellante geweest de steunkousen weer te gaan dragen. Voorts merkt de Raad op dat niet beslissend is dat er vóór september 2002 wellicht al gezondheidsklachten bestonden. De gestelde afgenomen winst en de gestegen salariskosten vormen evenmin doorslaggevende argumenten voor het aannemen van een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag, nu deze factoren op zich geen direct verband hoeven te houden met objectief medisch vaststelbare beperkingen van appellante. De grieven van appellante treffen derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007. (get.) J. Janssen. (get.) M. Lochs. MR