Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9619

Datum uitspraak2007-11-28
Datum gepubliceerd2007-12-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4878 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontzegging WW-uitkering op de grond dat betrokkene op de relevante datum niet beschikbaar was voor arbeid.


Uitspraak

06/4878 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juli 2006, 05/8260 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 28 november 2007. I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 13 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 8 augustus 2005 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Daarbij was aan appellante met ingang van 1 juli 2004 een WW-uitkering ontzegd op de grond dat zij per die datum niet beschikbaar was voor arbeid. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellante heeft de juistheid van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden. 4. De Raad overweegt als volgt. 4.1. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad verklaard dat hij het bestreden besluit niet handhaaft, omdat hem is gebleken dat het aan dat besluit voorafgaande onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. De gemachtigde heeft aangegeven dat appellante op korte termijn zal worden uitgenodigd voor een hoorzitting en dat een nieuwe beslissing op bezwaar zal worden genomen. 4.2. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Het Uwv zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante moeten nemen. Ter voorlichting van appellante merkt de Raad hierbij op dat dit oordeel van de Raad nog niet betekent dat haar met ingang van 1 juli 2004 een WW-uitkering zal worden toegekend. 5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet is gebleken dat appellante kosten heeft gemaakt die op grond van dat artikel voor vergoeding in aanmerking komen. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2005 gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 augustus 2005; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 142,-- (€ 37,-- + € 105,--) vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.M. van Dun en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007. (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) M.D.F. de Moor. 20/11 SG