Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB9636

Datum uitspraak2007-11-19
Datum gepubliceerd2007-12-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersTBS 2007\125
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het hof overweegt gelet op artikel 509t, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering voorwaardelijke beëindiging van de verpleging en acht het voor de vorming van een eindoordeel noodzakelijk zich nader te doen voorlichten omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van de terbeschikkinggestelde in het maatschappelijk verkeer zal kunnen geschieden. In verband hiermee zal het hof voor wat betreft de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging het eindoordeel aanhouden voor te hoogste drie maanden en de stukken in handen van de advocaat-generaal stellen teneinde een reclasseringsrapportage omtrent de terbeschikkinggestelde doen uitbrengen.


Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM TBS 2007U Beslissing d.d. 19 november 2007 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [terbeschikkinggestelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], onder gezag van de [inrichting], wonende te [adres]. Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank te Zwolle van 27 maart 2007, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar. Overwegingen: Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken. Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is het beroep meer dan zeven maanden na het instellen van het hoger beroep behandeld. In de voorliggende zaak oordeelt het hof dat de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt. In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat. Uit het verlengingsadvies volgt dat betrokkene zijn indexdelict destijds heeft gepleegd in een randpsychotische toestand geluxeerd door gevoelens van angst en onmacht. Onzekerheid en faalangst vormen nog steeds de kernproblematiek die onder stressvolle omstandigheden aanleiding kan geven tot kortsluitingreacties. Het ervaren van steun en bemoediging door professionele hulpverleners in zijn woon- en werkomgeving biedt hem voldoende houvast om geleidelijk de beoogde zelfstandigheid te bereiken. De prognose is goed, mits de huidige steunende begeleiding zeer geleidelijk wordt afgebouwd tot het niveau van een beschermende woonvorm (RIBW). Daarbij blijft het wenselijk dat betrokkene situaties blijft vermijden waarin hij verantwoordelijkheid moet dragen voor (zeer) jonge kinderen. De kans op recidive van soortgelijke delicten als het indexdelict wordt dan gering geacht. De thans bestaande hulpstructuur vermindert het eventuele risico nog verder. Het risicomanagement omvat verder het geleidelijk verder aanleren van copingstrategieën en het blijvend accepteren van de eigen psychologische en sociale beperkingen. Hoewel mogelijk het einde van de maatregel thans in zicht komt, hebben de veranderende omstandigheden in het afgelopen jaar nog niet geleid tot een werkelijke stabiliteit. Wel acht de kliniek het verantwoord de mogelijkheid voor een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging te doen onderzoeken. Het hof overweegt gelet op artikel 509t, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering voorwaardelijke beëindiging van de verpleging en acht het voor de vorming van een eindoordeel noodzakelijk zich nader te doen voorlichten omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van de terbeschikkinggestelde in het maatschappelijk verkeer zal kunnen geschieden. In verband hiermee zal het hof voor wat betreft de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging het eindoordeel aanhouden voor te hoogste drie maanden en de stukken in handen van de advocaat-generaal stellen teneinde een reclasseringsrapportage omtrent de terbeschikkinggestelde doen uitbrengen. Beslissing: Het hof: Vernietigt de beslissing van de rechtbank te Zwolle van 27 maart 2007 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde. Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar. Houdt de zaak aan tot de terechtzitting van 18 februari 2007 te 15.00 uur, met het verzoek aan de advocaat-generaal om zorg te dragen voor het doen onderzoeken van de mogelijkheden van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging en daaromtrent door de Stichting Reclassering Nederland te laten rapporteren. Beveelt de oproeping van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman mr H. Polat, advocaat te Lelystad, alsmede van een rapporteur van de reclassering tegen voormelde terechtzitting van 18 februari 2008. Aldus gedaan door mr van der Herberg als voorzitter, mrs Vegter en Stolwerk als raadsheren, en drs Boon en dr van Kordelaar als raden, in tegenwoordigheid van Mientjes als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2007. De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.