
Jurisprudentie
BB9666
Datum uitspraak2007-12-21
Datum gepubliceerd2007-12-21
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/12766HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-12-21
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/12766HR
Statusgepubliceerd
Indicatie
BOPZ. Voorlopige machtiging; uitlating raadsvrouw dat het overbodig lijkt betrokkene te horen doet niet af aan hoorplicht rechter; bereidheid van betrokkene te worden gehoord; mondelinge mededeling van plaats en tijdstip zitting door familieleden aan betrokkene; geen behoorlijke oproeping betrokkene; schending van art. 8 lid 1 Wet Bopz
Conclusie anoniem
C07/12766HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 16 november 2007
Conclusie inzake:
[Verzoekster = betrokkene]
tegen
Officier van justitie te Maastricht
In deze zaak wordt geklaagd dat de rechtbank heeft verzuimd betrokkene zelf te horen alvorens de verzochte voorlopige machtiging te verlenen.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. De officier van justitie in het arrondissement Maastricht heeft op 7 augustus 2007 de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om thans verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen. Bij het verzoekschrift is een geneeskundige verklaring overgelegd, op 6 augustus 2007 opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
1.2. Reeds op 8 augustus 2007 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Bij deze behandeling heeft de rechtbank de raadsvrouwe van betrokkene gehoord, de psycholoog [de psycholoog], de echtgenoot en een dochter van betrokkene. Betrokkene zelf was niet aanwezig. In het proces-verbaal van de behandeling staat als "noot griffier":
"Hoewel betrokkene door de echtgenoot en de dochter op de hoogte is gebracht van de hoorzitting is zij niet aanwezig. De echtgenoot en de dochter van betrokkene delen de rechtbank mee dat betrokkene vanochtend de woning heeft verlaten. Er is niet aan te geven wanneer zij weer thuis komt. Soms komt zij dagen niet thuis en plots verschijnt zij weer."
1.3. Blijkens het proces-verbaal heeft de raadsvrouwe van betrokkene medegedeeld:
"Ik heb haar helaas niet kunnen spreken. Ik ben overtuigd van de ernst van de situatie. Gelet op het zwerfgedrag van betrokkene en het feit dat zij hier nu niet aanwezig is, ondanks het feit dat zij op de hoogte is, lijkt mij haar oproepen om naar de rechtbank toe te komen overbodig. Ik refereer mij dan ook aan het oordeel van de rechtbank."
1.4. Bij beschikking van 8 augustus 2007 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend, na te hebben overwogen dat betrokkene niet gehoord wil worden.
1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. De onderdelen I, II en IV van het middel zijn gericht tegen het verlenen van een voorlopige machtiging zonder betrokkene zelf te hebben gehoord. Onderdeel I komt neer op de klacht dat de rechtbank niet heeft vastgesteld dat betrokkene naar behoren is opgeroepen en bekend was met de mondelinge behandeling op 8 augustus 2007. Onderdeel II houdt samengevat in dat de rechtbank hetzij de in artikel 8 lid 1 Wet Bopz neergelegde hoorplicht heeft geschonden, hetzij het oordeel dat betrokkene niet gehoord wil worden ontoereikend heeft gemotiveerd. Onderdeel IV houdt samengevat in dat uit het proces-verbaal blijkt dat de raadsvrouwe van betrokkene niet met betrokkene zelf heeft gesproken en dat onbegrijpelijk is waarom de rechtbank dan toch tot de conclusie is gekomen dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen en dat aan de vereisten voor het verlenen van de verzochte machtiging is voldaan. Volgens het onderdeel is onbegrijpelijk waarom de rechtbank zoveel haast heeft gemaakt met het verlenen van de voorlopige machtiging, zonder een gelegenheid af te wachten om betrokkene alsnog te horen.
2.2. Art. 8 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat de rechter, alvorens op het verzoek te beschikken, degene hoort ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, tenzij de rechter vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Ingevolge art. 261 in verbinding met art. 272 - 276 Rv geschiedt de oproeping door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter anders bepaalt. In de praktijk komt het, mede in verband met de beslissingstermijn, in Bopz-zaken vaak voor dat de rechter een andere wijze van oproeping bepaalt. Wanneer de betrokkene, verschenen zijnde, geen medewerking aan het verhoor verleent of wanneer de betrokkene, ofschoon behoorlijk opgeroepen, niet voor de rechter verschijnt, komt de in art. 8 lid 1 Wet Bopz bedoelde vraag aan de orde of betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Het ontbreken van de bereidheid zich te doen horen kan worden afgeleid uit een verklaring of gedragingen van de betrokkene. Het vraagstuk, wanneer een patiënt niet bereid is zich te doen horen, is in de rechtspraak bij herhaling aan de orde geweest(1).
2.3. Door de Hoge Raad is beslist dat de rechter die in een Bopz-zaak van oordeel is dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, niet alleen dit uitdrukkelijk in zijn beschikking dient vast te stellen, maar bovendien gehouden is de gronden aan te geven waarop dat oordeel berust(2). Onderdeel II klaagt m.i. terecht dat onbegrijpelijk is, op welke grond het oordeel in de bestreden beschikking berust dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Uit de tekst van de beschikking blijkt weliswaar dát de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, maar in het geheel niet waarop die gevolgtrekking berust. Om deze reden kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
2.4. Ten overvloede bespreek ik enkele mogelijke verklaringen voor het bestreden oordeel. Indien de rechtbank - impliciet - van oordeel is geweest dat het enkele feit dat betrokkene niet voor de rechter is verschenen voldoende is om de vaststelling te rechtvaardigen dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, wordt in onderdeel I m.i. terecht geklaagd dat de rechtbank dit niet heeft mogen vaststellen zonder dat betrokkene naar behoren was opgeroepen voor de op 8 augustus 2007 te houden hoorzitting. Noch uit de bestreden beschikking, noch elders uit de gedingstukken blijkt dat in deze zaak een oproeping op de voet van art. 272 e.v. Rv heeft plaatsgevonden. Evenmin blijkt dat een andere wijze van oproepen door de rechter is bepaald(3). De rechter kan een oproeping op een kortere termijn dan een week voorschrijven (art. 276 Rv), terwijl in de Bopz-praktijk informele wijzen van oproeping voorkomen(4). Daartegen is op zichzelf geen bezwaar. Wanneer de betrokkene niet voor de rechter verschijnt en niet vaststaat dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen, is de consequentie van een ontoereikende oproeping, dat de rechtbank een nieuwe datum zal moeten bepalen teneinde betrokkene alsnog behoorlijk te doen oproepen en zo mogelijk te horen. Daarvoor was in dit geval voldoende tijd beschikbaar.
2.5. Wanneer niet méér dan een mondelinge mededeling van tijd en plaats van de zitting door familieleden/huisgenoten aan de betrokkene heeft plaatsgevonden en de rechtbank, constaterend dat betrokkene niet is verschenen, genoegen neemt met een mededeling van familieleden/huisgenoten dat de betrokkene de woning heeft verlaten, is dat in het licht van de eisen, welke art. 8 Wet Bopz stelt onvoldoende om het oordeel te dragen dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Het enkele feit dat de betrokkene de woning heeft verlaten is nog niet een gedraging waaruit kan worden opgemaakt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen. Daarbij komt, dat familieleden/huisgenoten - uit de aard der zaak - een van het belang van de betrokkene afwijkend eigen belang kunnen hebben bij een gedwongen opneming, al behoeft dit niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn.
2.6. Indien de rechtbank bij haar oordeel - impliciet - is afgegaan op de hiervoor aangehaalde mededeling van de raadsvrouwe ter zitting dat een nieuwe oproep haar overbodig leek, geldt het volgende. De rechtbank heeft een eigen taak in het onderzoek of aan de vereisten van art. 8 lid 1 Wet Bopz is voldaan. De raadsvrouwe heeft verklaard dat zij betrokkene niet heeft gesproken en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hieruit heeft de rechtbank niet kunnen afleiden dat de raadsvrouwe namens betrokkene afstand deed van het recht te worden gehoord c.q. dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen.
2.7. Onderdeel III behoeft bij gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande middelonderdelen geen bespreking. Ik volsta daarom met een korte weergave. De klacht houdt in dat onbegrijpelijk is waarom de rechtbank (mede) op basis van de overgelegde geneeskundige verklaring tot toewijzing van de verzochte machtiging is gekomen.
2.8. In de geneeskundige verklaring is als diagnose gesteld: dementie. Deze diagnose is gebaseerd op: poriomanie(5), toenemend defect van cognitieve functies, negativisme. Het middelonderdeel stelt ter discussie of de diagnose uitsluitend berust op mededelingen van familieleden, in elk geval anderen dan de patiënt, dan wel op eigen onderzoek. In het middelonderdeel wordt betwijfeld of de psychiater betrokkene persoonlijk heeft onderzocht.
2.9. Wat er van de juistheid van deze klachten zij, een betwisting van de inhoud en wijze van totstandkoming van de geneeskundige verklaring kan niet voor het eerst in cassatie geschieden. In de feitelijke instantie is een verweer van deze strekking niet gevoerd. Om deze reden behoeft onderdeel III niet tot cassatie te leiden.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Maastricht.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 De standaardbeschikking is HR 14 februari 1997, NJ 1997, 378 m.nt. JdB. Van de latere rechtspraak zijn te noemen: HR 8 juli 2005, NJ 2006, 6 (BJ 2005, 25 m.nt. W. Dijkers); HR 2 december 2005, NJ 2006, 119 (BJ 2006, 5); HR 12 mei 2006, BJ 2006, 35 m.nt. E.L. Schaafsma-Beversluis. Zie ook Rb. 's-Gravenhage 11 december 2006, BJ 2007, 22 m.nt. T.P. Widdershoven, en, onder vigeur van de vroegere Krankzinnigenwet: HR 6 april 1984, NJ 1985, 400 m.nt. FJHM; HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 76.
2 HR 14 februari 1997, NJ 1997, 378, m.nt. JdB, rov. 3.3.
3 In het cassatierekest wordt verwezen naar een faxbericht van de griffier van de rechtbank d.d. 8 oktober 2007 (dus daterend van na de bestreden beschikking; zie art. 419 lid 2 Rv), waarin wordt bevestigd dat betrokkene niet is opgeroepen.
4 Zie daarover de noot van W. Dijkers in BJ 2005, 25.
5 Dit kan worden vertaald als: onstuitbare zwerfdrang.
Uitspraak
21 december 2007
Eerste Kamer
Nr. 07/12766HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MAASTRICHT,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instanties
De officier van justitie heeft op 7 augustus 2007 onder overlegging van een op 6 augustus 2007 ondertekende geneeskundige verklaring een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
Nadat de rechtbank de advocaat van betrokkene, de psycholoog, de echtgenoot en een dochter van betrokkene had gehoord, heeft zij bij beschikking van 8 augustus 2007 de voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden verleend.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Maastricht.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure bij de rechtbank verwijst de Hoge Raad achtereenvolgens naar het hiervoor onder 1 overwogene en naar de punten 1.1-1.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.2 Nadat de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie de echtgenoot en de dochter van betrokkene, haar advocaat en de behandelend psychologe ter zitting had gehoord buiten aanwezigheid van betrokkene, heeft zij de verzochte voorlopige machtiging verleend voor de duur van maximaal zes maanden. Blijkens het proces-verbaal van deze zitting is betrokkene door haar echtgenoot en dochter op de hoogte gebracht van de mondelinge behandeling, maar heeft zij 's ochtends haar woning met onbekende bestemming verlaten. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat de advocaat van betrokkene het overbodig achtte haar op te roepen.
De rechtbank oordeelde onder meer dat betrokkene niet gehoord wil worden.
3.3.1 Nu niet van het tegendeel blijkt, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de rechtbank betrokkene niet voor de mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie heeft opgeroepen. Aldus heeft de rechtbank miskend dat betrokkene voor haar verhoor overeenkomstig het bepaalde in art. 261 in verbinding met art. 272 tot en met 276 Rv. dan wel overeenkomstig een bijzondere of algemene instructie van de rechter, door de griffier behoorlijk diende te zijn opgeroepen.
De rechtsklacht van onderdeel I is derhalve gegrond.
3.3.2 Ook de motiveringsklacht van onderdeel II is terecht voorgesteld. Weliswaar heeft de rechtbank op de voet van art. 8 lid 1 Bopz vastgesteld dat betrokkene niet gehoord wilde worden, maar zij heeft niet de gronden aangegeven waarop dat oordeel berust (vgl. HR 8 juli 2005, nr. R05/066, NJ 2006, 6).
3.4 Gegrondbevinding van de onderdelen I en II brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en het middel voor het overige geen behandeling behoeft.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 8 augustus 2007;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 21 december 2007.

