Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0427

Datum uitspraak2007-11-28
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers79219 / HA ZA 07 - 298
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ernstige schending artikel 21 Rv leidt tot passeren stellingen en weren van de boosdoener.


Uitspraak

vonnis RECHTBANK ROERMOND Sector civielrecht zaaknummer / rolnummer: 79219 / HA ZA 07-298 Vonnis van 28 november 2007 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE KRUYF METAALTECHNIEK BV, gevestigd te Grubbenvorst, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, procureur mr. H.J.J.M. van der Bruggen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WASTE TREATMENT TECHNOLOGIES BV, gevestigd te Almelo, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procureur mr. P.J.W.M. Theunissen. Partijen zullen hierna De Kruyf en WTT genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 19 september 2007 en de daarin genoemde stukken - de akte van De Kruyf - de akte van WTT. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Partijen hebben 13 maart 2006 een overeenkomst van opdracht gesloten (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst strekt tot fabricage en montage van roestvaststalen buizen door De Kruyf tegen betaling door WTT van een aanneemsom van EUR 107.500,- ex BTW. 2.2. De Kruyf heeft WTT in het kader van de overeenkomst – alsmede enig meerwerk – een aantal facturen gezonden die voor een bedrag van EUR 55.531,98 onbetaald zijn gebleven. 2.3. In de onderhandelingsfase van de overeenkomst is door De Kruyf een offerte gezonden aan WTT op 8 maart 2006. In deze offerte heeft De Kruyf verwezen naar de door haar gehanteerde Metaalunievoorwaarden. 2.4. Bij fax van 13 maart 2006 heeft WTT de offerte van De Kruyf grotendeels geaccepteerd. Op enkele punten heeft WTT wijzigingen voorgesteld die door De Kruyf zijn geaccepteerd. 3. Het geschil in conventie 3.1. De Kruyf vordert samengevat - veroordeling van WTT tot betaling van EUR 55.531,98 , vermeerderd met 10% contractuele rente per jaar over een bedrag van EUR 49.699,09 vanaf 5 april 2007 tot aan de dag der algehele voldoening en de proceskosten en met bepaling dat WTT de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis heeft betaald. 3.2. WTT voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.3. WTT vordert samengevat - veroordeling van De Kruyf tot betaling van EUR 3.562,09 subsidiair EUR 47.709,96, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten en met voorzoveel nodig gedeeltelijke ontbinding van overeenkomst ten aanzien van het beitsen c.a. 3.4. De Kruyf voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. De rechtbank zal de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen. 4.2. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 19 september 2007 een aantal vragen aan partijen gesteld. De aanleiding tot het stellen van deze vragen was gelegen in het feit dat tussen partijen onder meer in geschil is welke algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. Terwijl over onder meer die vraag reeds door de rechtbank in een bevoegdheidsincident was beslist, werd daarna in de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie (hierna: de conclusie) voor het eerst melding gemaakt van een “aanvraag voor een offerte” die op 8 maart 2006 door WTT per fax aan De Kruyf zou zijn gezonden en waarmee de onderhandelingen zouden zijn begonnen. Of dat waar is of niet, zou relevant zijn voor de vraag of de algemene voorwaarden van De Kruyf of die van WTT van toepassing zouden zijn. Daarvan zouden vervolgens de antwoorden op meer rechtsvragen kunnen afhangen, waaronder de reeds beantwoorde bevoegdheidsvraag. Dit laatste maakt de relatief late melding van de “aanvraag voor een offerte” al kwalijk. In ieder geval was deze gang van zaken voor de rechtbank aanleiding tot het stellen van de volgende vragen: a. Is het juist dat de totstandkoming van de overeenkomst met bovenbedoeld stuk is ingeleid? b. Zo ja, waarom is daarvan door De Kruyf geen melding gemaakt en door WTT eerst bij de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie? c. Zijn er nog meer de totstandkoming van de overeenkomst betreffende stukken die door partijen nog niet zijn genoemd en overgelegd? 4.3. Partijen hebben deze vragen beantwoord in de na genoemd vonnis genomen aktes. 4.4. De rechtbank is op basis van het door partijen gevoerde debat alsmede de door partijen overgelegde stukken tot de conclusie gekomen, dat WTT zich heeft schuldig gemaakt aan een schending van het bepaalde in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) alsmede aan een schending van de eisen van een behoorlijke procesorde. De rechtbank zal deze conclusie hieronder nader motiveren. 4.5. Zoals hierboven al is opgemerkt heeft WTT in een te laat stadium van de procedure voor het eerst melding gemaakt van een “aanvraag voor een offerte” die op 8 maart 2006 per fax aan De Kruyf zou zijn verzonden. WTT heeft die melding te laat gedaan omdat deze inhoudelijk al relevant was in het bevoegdheidsincident en daarom in dat incident al had moeten worden gedaan. Er zijn geen gronden gesteld of gebleken die deze late melding zouden kunnen rechtvaardigen. Dat alles maakt de late melding op zichzelf al onjuist en verwijtbaar. Daar komt bij dat de betrokken stelling bovendien niet waar blijkt te zijn. WTT heeft dat in haar akte toegegeven en ook De Kruyf heeft dat gesteld. WTT heeft erkend dat er geen sprake is geweest van een verzending per fax op 8 maart 2006 van een “aanvraag voor een offerte”. Daarnaast heeft WTT toegegeven dat het daartoe bij haar conclusie overgelegde faxjournaal niet deze “aanvraag voor een offerte” betreft. De rechtbank verwijt WTT hier dat zij in strijd met de waarheid een feitelijke stelling heeft geponeerd en daarbij een bewijsstuk heeft gepresenteerd dat helemaal geen betrekking heeft op het beweerde en onwaar gebleken feit. Zodoende heeft WTT in ieder geval de feiten niet volledig en naar waarheid aangevoerd. Of de feiten aanleiding geven tot verdergaande conclusies laat de rechtbank in het midden, omdat de rechtbank geen aanknopingspunten heeft om te beoordelen of hier sprake is geweest van een misverstand, onzorgvuldigheid of wellicht zelfs opzet. Het vorenoverwogene samenvattend: vaststaat dat WTT (1) te laat een feitelijke stelling heeft betrokken, (2) dat die feitelijke stelling onwaar is gebleken en (3 ) dat een ter onderbouwing daarvan overgelegd faxjournaal hierop in het geheel geen betrekking heeft. Daarbij is het helaas niet gebleven. De rechtbank heeft vervolgens moeten constateren dat WTT – na bovengenoemde fouten te hebben erkend – vervolgens opnieuw op onzuivere wijze met haar processuele verplichtingen is omgegaan. WTT heeft immers na erkenning van haar fouten vervolgens gesteld dat als de “aanvraag voor een offerte” niet op 8 maart 2006 per fax aan De Kruyf is gezonden, dat deze “aanvraag voor een offerte” dan feitelijk aan De Kruyf is overhandigd tijdens een bespreking op 6 maart 2006. De rechtbank constateert dat WTT daarmee opnieuw een mogelijk cruciale stelling poneert op een onaanvaardbaar laat tijdstip in de procedure. De stelling is nieuw in die zin dat sprake is van een andere datum en een andere wijze van terhandstelling van de betrokken aanvraag. De rechtbank verwijt WTT ook de ontijdigheid van deze nieuwe variant omdat in ieder geval van WTT mag worden verwacht dat zij de feiten fatsoenlijk uitzoekt alvorens zij stellingen in een procedure betrekt. Het is niet acceptabel dat een partij – kennelijk zonder deugdelijk onderzoek – eerst onjuiste feiten aanvoerd en – als zij op de onjuistheid daarvan is betrapt – maar iets nieuws poneert. De omstandigheid dat WTT naar aanleiding van de vragen van de rechtbank nader onderzoek is gaan doen kan geen excuus zijn, omdat die vragen en dat nader onderzoek sowieso niet nodig geweest hadden moeten zijn. Ter onderbouwing van die stelling verwijst WTT naar een als productie overgelegde verklaring van de heer [achternaam], die bij die terhandstelling (vanuit WTT) betrokken zou zijn geweest. In de verklaring leest de rechtbank evenwel dat [achternaam] verklaart dat hij nu niet meer precies weet hoe dit is gegaan en dat het “heel goed mogelijk” is dat de aanvraag “per e-mail is gestuurd” of dat deze “persoonlijk overhandigd werd tijdens een bespreking met de firma Kruyf in maart 2006.” De rechtbank concludeert hieruit, dat WTT andermaal niet alleen te laat met een nieuwe feitelijke stelling komt maar bovendien andermaal daarbij verwijst naar een bewijsstuk dat helemaal geen bewijs vormt van de betrokken stelling omdat in dat bewijsstuk iets anders staat dan WTT in haar akte zegt dat er zou staan. Dit is op zijn minst slordig en in ieder geval geen rechtens aanvaardbare wijze om een zaak te onderbouwen. Zeker niet indien er al een voorgeschiedenis is als hier. 4.6. De rechtbank is op basis van bovenstaande overwegingen tot de slotsom gekomen dat WTT artikel 21 Rv alsmede de eisen van een behoorlijke procesorde heeft geschonden. De feiten zijn niet volledig en naar waarheid aangevoerd. De wijze waarop de (beweerde) feiten door WTT zijn aangevoerd belemmert een fatsoenlijke procesvoering: zowel de rechtbank als de wederpartij worden meermalen geconfronteerd met ontijdige en onjuiste stellingen. Deze gebeurtenissen liggen volledig in de invloed- en daardoor risicosfeer van WTT. 4.7. De rechtbank is van oordeel dat aan de genoemde ernstige normschendingen een serieus gevolg moet worden verbonden, namelijk het passeren van de stellingen en weren van WTT. De bij de fouten betrokken stellingen zouden doorslaggevend kunnen zijn bij meerdere beslissingen die door de rechtbank in deze procedure moeten worden genomen. De normschendingen betreffen hier de kern van de zaak. Bovendien vinden de normschendingen op verschillende momenten in de procedure plaats: er is sprake van herhaalde fouten. De rechtbank is van oordeel dat een rechtens juiste en eerlijke procesvoering daardoor op een onaanvaardbare wijze wordt belemmerd, wat de genoemde sanctie rechtvaardigt. Door een lichtere sanctie zou bovendien de indruk kunnen ontstaan dat een procesgedrag als het onderhavige toch wel min of meer door de vingers wordt gezien en zodoende wellicht voordelig zou kunnen zijn. Dat kan niet zo zijn: een procesgedrag als het onderhavige is niet acceptabel en dient krachtig te worden ontmoedigd. 4.8. De vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat de vorderingen in conventie moeten worden toegewezen – nu deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen - en dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. 4.9. WTT zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Kruyf worden begroot op: - dagvaarding EUR 70,85 - vast recht 1.220,00 - salaris procureur 1.341,00 (1,5 punten × tarief EUR 894,00) Totaal EUR 2.631,85 4.10. WTT zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Kruyf worden begroot op: - salaris procureur EUR 223,50 (0,5 punt × factor 0,5 × tarief EUR 894,00) Totaal EUR 223,50 5. De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. veroordeelt WTT om aan De Kruyf te betalen een bedrag van EUR 55.531,98 (vijfenvijftig duizendvijfhonderdéénendertig euro en achtennegentig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 10% per jaar over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 49.699,09 vanaf 5 april 2007 tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt WTT in de proceskosten, aan de zijde van De Kruyf tot op heden begroot op EUR 2.631,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, 5.3. verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.4. wijst de vorderingen af, 5.5. veroordeelt WTT in de proceskosten, aan de zijde van De Kruyf tot op heden begroot op EUR 223,50, 5.6. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. dr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2007.?