Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0770

Datum uitspraak2007-11-22
Datum gepubliceerd2007-12-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1807 ALGEM
Statusgepubliceerd


Indicatie

Zijn premienota's voorzien van juiste tenaamstelling en aansluitnummer?


Uitspraak

07/1807 ALGEM Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 maart 2007, 06/3393 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv), Datum uitspraak: 22 november 2007. I. PROCESVERLOOP Namens appellante is door drs. M. Hiele, werkzaam bij Hiele, Beyer & Van Zijp belastingadviseurs te Houten, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Namens appellante is verschenen drs. Hiele en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN Voor een uitvoerig overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Bij besluit van 6 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante gericht tegen de premienota’s over de jaren 1999 en 2000 van 20 augustus 2001 en 10 september 2001 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar gericht tegen de premienota over het jaar 2001 van 29 juli 2002 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep hiertegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij - voor zover in hoger beroep in geschil - als haar oordeel uitgesproken dat zij het standpunt van appellante dat de hierboven vermelde premienota’s niet op haar betrekking hebben niet kan onderschrijven. De rechtbank heeft daarbij geconstateerd dat elk van de drie nota’s als kenmerk het aansluitnummer van [naam B.V.] vermeldt, ofwel van appellante, en dat deze nota’s als geadresseerde vermelden “[naam B.V.]”. Op grond van deze tenaamstelling in combinatie met het – unieke – aansluitnummer kan geen twijfel doen rijzen op welke werkgever de nota’s betrekking hebben. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, in essentie er op neerkomend dat aan de tenaamstelling van de nota’s over de jaren hier in geding dusdanige gebreken kleven dat het tot vernietiging van het bestreden besluit en van de nota’s moet leiden, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Daartoe overweegt de Raad nog het volgende. Het moet een werkgever volstrekt duidelijk zijn voor welke bedragen en over welke periode hij voor premie aansprakelijk wordt gesteld. Met betrekking tot de jaren 1999 en 2000 moet de Raad constateren dat het Uwv op verzoek van appellante bij fax van 17 januari 2002 alsnog de premienota’s van 20 augustus 2001 en 10 september 2001 heeft toegezonden op naam van [naam B.V.] en met aansluitnummer [aansluitnummer]. Op dat moment moest het voor appellante voldoende duidelijk zijn in welke hoedanigheid zij werd aangesproken en om welke periode en welke premiebedragen het ging. Indien appellante van mening was dat deze premienota’s niet op haar van toepassing waren dan had het op haar weg gelegen dit aan het Uwv kenbaar te maken en had zij het Uwv kunnen verzoeken om de tenaamstelling te wijzigen. Dit heeft appellante nagelaten. De Raad is derhalve van oordeel dat appellante terecht heeft kunnen fungeren als correspondentieadres voor de premienota’s ter zake van het personeel van het bedrijf van appellante voor de jaren hier in geding. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007. (get.) B.J. van der Net. (get.) A. Badermann. RH