Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC1063

Datum uitspraak2007-12-20
Datum gepubliceerd2008-01-02
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers04/860787-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verbalisanten hebben de woning van verdachte betreden ter fine van inbeslagneming van harddrugs. Zij hadden een indicatie waar die drugs zouden moeten liggen. Dit is niet hetzelfde als de wetenschap dat die drugs daar daadwerkelijk liggen. In het verleden kon het openen van een enkele, niet afgesloten kastdeur, worden aangemerkt als vallende onder het begrip ‘zoekend rondkijken’. Bij de aanpassing van het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft de wetgever nadrukkelijk aangegeven dat dat niet meer kan. Daarom moet het openen van een kast om te zien of die drugs daar ook werkelijk liggen, worden aangemerkt als een zoekingshandeling, hoe gering ook. Deze doorzoeking werd niet verricht door een rechter-commissaris. Evenmin heeft de rechter-commissaris daarvoor machtiging verleent. De doorzoeking is daarom onrechtmatig verricht en het gevonden bewijsmateriaal is daarom onrechtmatig verkregen. Het bepaalde in artikel 359a Sv geeft de rechter de opdracht te bepalen welke gevolgen aan de onrechtmatigheid moet worden verbonden. Daarbij heeft de rechter rekening te houden met het geschonden belang, de ernst van de inbreuk en het daardoor veroorzaakte nadeel. De ernst van de inbreuk is gering geweest. De verbalisanten hebben hun inbreuk beperkt tot één kast, waarin, naar hen was gezegd, drugs zouden liggen. Verdachte bevond zich op dat moment niet in de woning, zodat hij deze inbreuk op zijn woongenot niet direct aan den lijve heeft ondervonden. De informatie op grond waarvan de verbalisanten zijn opgetreden had, naar de overtuiging van de politierechter, desgevraagd zeker hebben geleid tot een doorzoeking door de rechter-commissaris, of tot een machtiging tot doorzoeking. Verbalisanten hebben dus niets verkregen, wat zij anders niet ook zouden hebben verkregen, zij het dat zij verzuimd hebben de rechter-commissaris in te (doen) schakelen. Daarmee staat vast dat verdachte door het verzuim geen reële schade heeft geleden. Desondanks is de inbreuk op verdachtes woongenot ernstig genoeg om een sanctie te rechtvaardigen. Uitsluiting van het verkregen materiaal voor het bewijs wordt een te zware sanctie geacht in relatie tot de ernst van de inbreuk en de toegebrachte schade aan verdachte. Daarom is vermindering van de op te leggen straf een geëigende sanctie. Voor het gepleegde strafbare feit zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden een juiste sanctie zijn. Ter compensatie voor het onrechtmatig optreden van de verbalisanten wordt op die straf twee maanden in mindering gebracht.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND AANTEKENING MONDELINGE UITSPRAAK Sector : 13 Parketnummer : 04/860787-07 Volgnummer : 0014 Uitspraak van de politierechter mr. V.P. van Deventer van 20 december 2007, in de zaak tegen de verdachte naam : [verdachte] voornamen : [voornaam] geboren op : [geboortedatum + - plaats] adres : [adres] plaats : [woonplaats] Thans gedetineerd in/bij: P.I. Zuid Oost, HvB Roermond Tegenspraak, na aanhouding verschenen OVERWEGINGEN: • De waarnemingen van verbalisanten met betrekking tot het oppikken van twee Duitse mannen, het geleiden naar de woning en de verklaringen van deze Duitse mannen vormen op zichzelf reeds voldoende feiten en omstandigheden om A. [verdachte] aan te merken als verdachte in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. • Uit geen enkel feit blijkt dat zijdens politie of Openbaar Ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van verdachtes belangen diens woning (gedeeltelijk) heeft doorzocht. Daarom is er geen reden om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. • Verbalisanten hebben de woning van verdachte betreden ter fine van inbeslagneming van harddrugs. Zij hadden een indicatie waar die drugs zouden moeten liggen. Dit is niet hetzelfde als de wetenschap dat die drugs daar daadwerkelijk liggen. In het verleden kon het openen van een enkele, niet afgesloten kastdeur, worden aangemerkt als vallende onder het begrip ‘zoekend rondkijken’. Bij de aanpassing van het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft de wetgever nadrukkelijk aangegeven dat dat niet meer kan. Daarom moet het openen van een kast om te zien of die drugs daar ook werkelijk liggen, worden aangemerkt als een zoekingshandeling, hoe gering ook. • Deze doorzoeking werd niet verricht door een rechter-commissaris. Evenmin heeft de rechter-commissaris daarvoor machtiging verleent. De doorzoeking is daarom onrechtmatig verricht en het gevonden bewijsmateriaal is daarom onrechtmatig verkregen. • Het bepaalde in artikel 359a Sv geeft de rechter de opdracht te bepalen welke gevolgen aan de onrechtmatigheid moet worden verbonden. Daarbij heeft de rechter rekening te houden met het geschonden belang, de ernst van de inbreuk en het daardoor veroorzaakte nadeel. • Zoals hiervoor al gesteld is van doelbewuste grove verontachtzaming van verdachtes belangen geen sprake. De betrokken verbalisanten hebben verzuimd hun werkwijze aan te passen aan de nieuwe uitleg van ‘zoekend rondkijken’. • De ernst van de inbreuk is gering geweest. De verbalisanten hebben hun inbreuk beperkt tot één kast, waarin, naar hen was gezegd, drugs zouden liggen. Verdachte bevond zich op dat moment niet in de woning, zodat hij deze inbreuk op zijn woongenot niet direct aan den lijve heeft ondervonden. • De informatie op grond waarvan de verbalisanten zijn opgetreden had, naar de overtuiging van de politierechter, desgevraagd zeker hebben geleid tot een doorzoeking door de rechter-commissaris, of tot een machtiging tot doorzoeking. Verbalisanten hebben dus niets verkregen, wat zij anders niet ook zouden hebben verkregen, zij het dat zij verzuimd hebben de rechter-commissaris in te (doen) schakelen. Daarmee staat vast dat verdachte door het verzuim geen reële schade heeft geleden. • Desondanks is de inbreuk op verdachtes woongenot ernstig genoeg om een sanctie te rechtvaardigen. Uitsluiting van het verkregen materiaal voor het bewijs wordt een te zware sanctie geacht in relatie tot de ernst van de inbreuk en de toegebrachte schade aan verdachte. Daarom is vermindering van de op te leggen straf een geëigende sanctie. Voor het gepleegde strafbare feit zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden een juiste sanctie zijn. Ter compensatie voor het onrechtmatig optreden van de verbalisanten wordt op die straf twee maanden in mindering gebracht. KWALIFICATIE: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd GEPLEEGD: op 05 september 2007 TOEGEPASTE ARTIKELEN: Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 57, 91 Opiumwet art. 2, 10 BESLISSING: Gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht De politierechter,