Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC1586

Datum uitspraak2007-12-21
Datum gepubliceerd2008-01-10
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707858/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / geen beoordeling rechtmatigheid ongewenstverklaring
Tegen het aan de oplegging van de maatregel van bewaring voorafgaande besluit van 18 oktober 2007, waarbij het verblijfsrecht van appellante is beëindigd met verkorting van de vertrektermijn en appellante ongewenst is verklaard, stond bezwaar open bij de staatssecretaris en tegen de beslissing op dat bezwaar beroep bij de rechtbank 's Gravenhage. Het verdraagt zich niet met het stelsel van de Vreemdelingenwet 2000 dat de rechter die over de maatregel van bewaring oordeelt, zich daarbij tevens uitspreekt over de rechtmatigheid van dat besluit. Eerst indien dat besluit in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is geoordeeld, kan de rechter die over de maatregel van bewaring heeft te oordelen, zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van die maatregel. Daarvan is in dit geval geen sprake.


Uitspraak

200707858/1 Datum uitspraak: 21 december 2007 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [Appellante], appellante, tegen de uitspraak in zaak nr. 07/39711 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 5 november 2007 in het geding tussen: appellante en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2007 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 5 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 november 2007, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij daarbij de Afdeling verzocht haar schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht. Appellante heeft een nader stuk ingediend. De staatssecretaris van Justitie heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Appellante klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 18 oktober 2007, waarbij onder meer de vertrektermijn is verkort tot nul uur, niet ter beoordeling voorligt. Volgens haar had de rechtbank dit besluit wel moeten beoordelen, omdat in het beleid een verband is gelegd tussen de verkorting van de vertrektermijn en de inbewaringstelling en op korte termijn een beoordeling van het besluit in het kader van een ingediend verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar niet is te verwachten. 2.1.1. Tegen het aan de oplegging van de maatregel van bewaring voorafgaande besluit van 18 oktober 2007, waarbij het verblijfsrecht van appellante is beëindigd met verkorting van de vertrektermijn en appellante ongewenst is verklaard, stond bezwaar open bij de staatssecretaris en tegen de beslissing op dat bezwaar beroep bij de rechtbank 's Gravenhage. Het verdraagt zich niet met het stelsel van de Vreemdelingenwet 2000 dat de rechter die over de maatregel van bewaring oordeelt, zich daarbij tevens uitspreekt over de rechtmatigheid van dat besluit. Eerst indien dat besluit in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is geoordeeld, kan de rechter die over de maatregel van bewaring heeft te oordelen, zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van die maatregel. Daarvan is in dit geval geen sprake. De gestelde omstandigheid dat op korte termijn geen beoordeling van het besluit in het kader van een ingediend verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar te verwachten is – wat daar overigens van zij - , behoefde de rechtbank niet tot een ander oordeel aanleiding te geven. Derhalve heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het besluit van 18 oktober 2007 niet ter beoordeling stond. De grief faalt. 2.2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.3. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens Voorzitter w.g. Snijders ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2007 279 Verzonden: 21 december 2007 Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak