Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC1765

Datum uitspraak2008-01-11
Datum gepubliceerd2008-01-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4984 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Met niet besluit geheel tegemoetgekomen. Geen procesbelang. Niet-ontvankelijkverklaring.


Uitspraak

07/4984 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 juli 2007, 06/1224 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 13 november 2007 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven waarop bij faxbericht van 16 november 2007 namens appellante een reactie is ingezonden. Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 24 april 2006 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar verzoek om verhoging van haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 4 februari 2006, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, is afgewezen. Het namens appellante tegen dat besluit ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 4 augustus 2006 (hierna: het betreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met het nadere besluit van 13 november 2007 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt inzake de weigering tot verhoging van de WAO-uitkering met ingang van 4 februari 2006 niet langer te handhaven. Ten gevolge hiervan is het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant met ingang van 6 maart 2004, na een wachttijd van vier weken, herzien en vastgesteld op 80 tot 100. Hierdoor kan het bestreden besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Namens appellante heeft mr. Van der Wal, voornoemd, de Raad bij faxbericht van 16 november 2007 meegedeeld dat het belang van appellante is komen te vervallen na de nieuwe beslissing op bezwaar van 13 november 2007, nu daarmee geheel aan het beroep van appellante is tegemoet gekomen. Uit ’s-Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad stelt vast dat namens appellante een dergelijk verzoek niet is gedaan. Het hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2008. (get.) D.J. van der Vos. (get.) S. Sweep. JL