Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC1826

Datum uitspraak2008-01-02
Datum gepubliceerd2008-01-15
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/6028 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bezwaar was terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare overschrijding bezwaartermijn.


Uitspraak

06/6028 WW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2006, 05/3059 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 2 januari 2008. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. OVERWEGINGEN 1. Bij het bestreden besluit van 1 april 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 december 2003 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconstateerd dat niet in geschil is dat het besluit van 11 december 2003 aan de gemachtigde van appellant is verzonden, zodat de termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 12 december 2003 is aangevangen en op 23 januari 2004 is geƫindigd. Appellant heeft het bezwaarschrift van 11 februari 2004 per fax aan het Uwv toegezonden. Nu het Uwv het bezwaarschrift eerst na afloop van de bezwaartermijn heeft ontvangen, staat vast dat appellant het bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend. Appellant heeft ter verontschuldiging van de termijnoverschrijding aangevoerd dat zijn toenmalige gemachtigde ernstig ziek was en dat hijzelf in die periode in scheiding lag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant hiermee geen verschoonbare reden voor het te laat indienen van het bezwaarschrift gegeven. Uit de gestelde omstandigheden blijkt volgens de rechtbank niet dat het voor appellant onmogelijk is geweest om het bezwaarschrift tijdig in te dienen. De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen plaats is voor het oordeel dat niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 6:11 van de Awb achterwege dient te blijven. Het Uwv heeft aldus terecht besloten het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren. 3. De in hoger beroep aan de orde zijnde vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellant bij het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk is verklaard beantwoordt de Raad bevestigend. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. Ook de Raad is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan de termijnoverschrijding met betrekking tot het besluit van 11 december 2003, waarbij appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet is geweigerd, verschoonbaar is te achten. 4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2008. (get.) T. Hoogenboom. (get.) M.D.F. de Moor. BvW 1012