Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC1967

Datum uitspraak2008-01-09
Datum gepubliceerd2008-01-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/701 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering betrokkene gelijk te stellen met vervolgde. Klaarblijkelijke hardheid?


Uitspraak

07/701 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellante] en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 9 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 18 oktober 2006, kenmerk JZ/W60/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 november 2007. Daar zijn partijen niet verschenen. II. OVERWEGINGEN Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, in december 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend die ertoe strekt om met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde te worden gelijkgesteld en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellante naar voren gebracht dat haar vader tijdens de Japanse bezetting internering heeft ondergaan en dat zij getuige is geweest van de arrestatie en wegvoering van haar vader door de Japanners, waarbij hij werd mishandeld. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 9 mei 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de door appellante genoemde oorlogsomstandigheden geen aanleiding vormen om haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster onder bepaalde voor-waarden bevoegd met de vervolgde gelijk te stellen de persoon ten aanzien van wie het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Een van deze voorwaarden voor toepassing van deze gelijkstellingsbepaling is dat de betrokkene weliswaar geen vervolging heeft ondergaan, maar wel heeft verkeerd in omstandigheden die met de vervolging overeenkomst vertonen. Tot dergelijke omstandigheden pleegt verweerster - onder meer - te rekenen het aanwezig zijn bij het wegvoeren van de ouder wanneer dit gepaard is gegaan met excessief geweld en/of het door de vervolging omkomen van de ouder. De Raad is met verweerster van oordeel dat er ten aanzien van appellante niet is gebleken van met vervolging vergelijkbare omstandigheden. Al aangenomen dat appellante aanwezig is geweest bij de arrestatie c.q. wegvoering van haar vader, uit de door appellante gegeven beschrijving van deze gebeurtenis komt naar het oordeel van de Raad niet naar voren dat dit gepaard is gegaan met excessief geweld. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de vader na zijn gevangenschap bij het gezin is teruggekeerd. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.R.Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) J.P. Schieveen. HD