Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC1991

Datum uitspraak2007-12-27
Datum gepubliceerd2008-01-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5691 CSV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering verzoek om herziening als bedoeld in 8:88 Awb. Geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in de wet.


Uitspraak

06/5691 CSV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K Als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van: [Verzoekster], inzake de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 augustus 2006, 06/332, in het geding tussen verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 december 2007 I. PROCESVERLOOP Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 augustus 2006 met kenmerk 06/332 CSV. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het verzoek is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 15 november 2007 waar partijen, het Uwv met voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Bij de uitspraak van 31 augustus 2006 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 december 2005, waarbij het beroep van verzoekster tegen het besluit van het Uwv van 9 maart 2005 ongegrond is verklaard, bevestigd. De Raad heeft daarbij overwogen dat niet is gebleken dat ten aanzien van de beslissingen over de aan 2003 voorafgaande jaren de vereiste rechtsmiddelen van bezwaar en beroep zijn aangewend, zodat die in rechte vaststaan. De Raad heeft daaraan als zijn oordeel toegevoegd dat de gestelde omissies over aan 2003 voorafgaande jaren als posterieur aangevoerd, niet binnen de omvang van het geding vallen en derhalve geen doel kunnen treffen. Verzoekster heeft aangevoerd dat de uitspraak van 31 augustus 2006 onjuist is omdat de in het verleden gemaakte fouten niet als grondslag mogen dienen voor de op te leggen boetenota over het jaar 2003. De Raad stelt vast dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd niet kan worden aangemerkt als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Het verzoek om herziening houdt in wezen in een verzoek om hernieuwde behandeling van het hoger beroep. Het - bijzondere - rechtsmiddel van herziening is daarvoor echter niet bedoeld. Gelet op het voorgaande dient het verzoek om herziening te worden afgewezen. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen grond. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2007. (get.) R.C. Schoemaker. (get.) R.E. Lysen. IJ