Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC2059

Datum uitspraak2008-01-09
Datum gepubliceerd2008-01-17
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/848 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Oogklachten ten gevolge van oorlogsgeweld. Weigering vergoeding van no-claimkorting ziektekostenverzekering die haar is onthouden vanwege kosten ivm oogklachten.


Uitspraak

07/848 WUBO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellante], en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 9 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 18 januari 2007, kenmerk JZ/R80/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007. Appellante is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Blijkens de gedingstukken is appellante erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Hierbij is aanvaard dat de oogklachten van appellante in het door de Wet vereiste verband staan met het meegemaakte oorlogsgeweld. In oktober 2006 heeft appellante verzocht om toekenning van een vergoeding van de no-claimkorting van € 255,-- op haar ziektekostenverzekering die haar door haar zorgverzekeringsmaatschappij is onthouden vanwege daar in verband met het oogletsel van appellante gedeclareerde medische kosten van € 407,48 in totaal. Dit verzoek heeft verweerster bij besluit van 14 november 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat de no-claimteruggave een teruggave van premiekosten betreft, zodat geen sprake is van kosten voor een medische behandeling. In bezwaar en beroep heeft appellante aangevoerd - samengevat - dat dit formele standpunt van verweerster feitelijk tot gevolg heeft dat op grond van de Wet voor vergoeding in aanmerking komende medische kosten toch niet worden vergoed. De Raad overweegt ter zake als volgt. Ingevolge artikel 32, eerste en tweede lid, van de Wet worden de ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende, vanwege het oorlogsletsel noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling of verpleging en daarmee verband houdende voorzieningen volledig vergoed. In het vijfde lid van genoemd artikel is onder meer bepaald dat deze vergoeding slechts wordt verleend voor zover de kosten niet ten laste kunnen worden gebracht van een ziektekostenverzekering. In dit geding staat vast dat de medische kosten van appellante die ertoe hebben geleid dat zij geen no-claimteruggave op haar ziektekostenverzekering heeft ontvangen, geheel en al betrekking hebben op haar causale oogletsel. Eveneens staat echter vast dat zij voor die medische kosten een algehele vergoeding van haar zorgverzekeringsmaatschappij heeft ontvangen. Daarmee staat ook vast dat geen sprake is van ten laste van appellante blijvende kosten van geneeskundige behandeling en/of voorzieningen als in artikel 32 van de Wet bedoeld. De omstandigheid dat appellante ten gevolge van de declaratie bij en vergoeding door haar zorgverzekeringsmaatschappij een premiekorting of premieteruggave is misgelopen, maakt het voorgaande niet anders. Uit de systematiek van de Wet vloeit voort dat premiekosten voor een ziektekostenverzekering als algemeen gebruikelijke, en derhalve niet voor vergoeding op grond van de Wet in aanmerking komende kosten moeten worden gezien. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Gerling-Brouwer en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008. (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) M.J.H. van Baalen. HD