Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC2110

Datum uitspraak2008-01-16
Datum gepubliceerd2008-01-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200702921/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen met behulp van een werk van afvalwater op de Gouwe voor een periode van drie jaar. Dit besluit is op 22 maart 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200702921/1. Datum uitspraak: 16 januari 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen met behulp van een werk van afvalwater op de Gouwe voor een periode van drie jaar. Dit besluit is op 22 maart 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 24 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2007, beroep ingesteld. Bij brief van 15 juni 2007 heeft het college een verweerschrift ingediend. [appellanten] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2007, waar [appellanten], waarvan [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door mr. J. Teeninga, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door J.P.C. van Mameren, ambtenaar van het Hoogheemraadschap van Rijnland, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. H. Convent en ing. M. Sprong. 2. Overwegingen 2.1. Volgens het college kunnen [appellanten] niet worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat de lozing hun leefmilieu niet beïnvloedt. 2.1.1. [appellanten] stellen dat de Alpher Wetering, waaraan of in de nabijheid waarvan hun woningen zijn gelegen, in verbinding staat met de Gouwe. De negatieve (ecologische) effecten van de lozing op de Gouwe strekken zich volgens hen ook uit tot de Alpher Wetering. Zij betogen dat als gevolg hiervan de Alpher Wetering niet meer voor schaatsdoeleinden kan worden gebruikt. Tevens stellen zij dat hun percelen worden verontreinigd als gevolg van het lekken van water uit de Gouwe door de dijk en in het geval van een overstroming van de Gouwe. Tot slot voeren zij aan belanghebbenden te zijn omdat zij voor recreatieve doeleinden gebruik maken van de Gouwe. 2.1.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 2.1.3. Ter zitting is door het college gesteld dat de Alpher Wetering niet in verbinding staat met de Gouwe, dat de dijk langs de Gouwe niet lek is en evenmin dat de lozing op een andere wijze milieugevolgen heeft of kan hebben voor de Alpher Wetering of de percelen van [appellanten]. Voor de Afdeling is niet aannemelijk dat deze stelling onjuist is. Derhalve wordt hun leefmilieu niet rechtstreeks door de lozing beïnvloed. Voorts onderscheidt de omstandigheid dat [appellanten] de Gouwe gebruiken voor recreatieve doeleinden, hen onvoldoende van anderen die tevens recreëren op de Gouwe om te kunnen spreken van een bijzonder individueel belang. Gezien het voorgaande zijn de belangen van [appellanten] niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit en zijn zij derhalve geen belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 2.2. Het beroep is niet-ontvankelijk. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. H.P.J.A.M. Hennekens en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Plambeck Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2008 159-542.