Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC2338

Datum uitspraak2008-01-29
Datum gepubliceerd2008-01-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03221/06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Ontvankelijkheid in cassatie. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gedaan. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.


Conclusie anoniem

Nr. 03221/06 Mr. Vellinga Zitting: 27 november 2007 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met twee jaren proeftijd. 2. Namens verdachte heeft mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. 3. In de schriftuur wordt aangevoerd dat art. 587 Sv en 6 lid 1 EVRM zijn geschonden. De onderbouwing behelst een betoog dat er in de kern op neerkomt dat de in het Wetboek van Strafvordering neergelegde regeling met betrekking tot het betekenen van dagvaardingen niet aan de eisen van art. 6 EVRM voldoet. 4. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. (HR 19 november 2002, LJN AE1171). De hiervoor omschreven inhoud van de schriftuur voldoet niet aan deze eis. Derhalve heeft de verdachte niet door zijn raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend, hetgeen gelet op het bepaalde in art. 437 lid 2 Sv niet-ontvankelijkheid ten gevolge heeft. 5. Overigens wordt in het in de schriftuur verwoorde betoog over het hoofd gezien dat de Regeling van 3 juni 2004, nr. 5287706/504, Stcrt 2004, nr 123, p. 13 niet voorziet in uitreiking door een rechter, daar een rechter niet wordt genoemd in het in de Regeling genoemde art. 14 lid 2 Wet RO. 6. Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG


Uitspraak

29 januari 2008 Strafkamer nr. 03221/06 LBS/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juni 2006, nummer 23/006276-05, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P. Jeeninga, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep. 2. Beoordeling van de schriftuur en de ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven. 2.2. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen. 3. Beslissing De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 29 januari 2008.