Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC2360

Datum uitspraak2008-01-08
Datum gepubliceerd2008-01-22
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/956 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard i.v.m. niet verschoonbare termijnoverschrijding.


Uitspraak

07/956 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 januari 2007, 06/5557 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden (hierna: College) Datum uitspraak: 8 januari 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 27 november 2007, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De Raad stelt allereerst vast dat de uitnodiging voor de zitting per aangetekende post naar het bij de Raad bekende adres van appellant is gezonden. Op 23 november 2007 kwam deze uitnodiging retour met daarop aangekruist de mededeling “Niet afgehaald”. Vervolgens is de uitnodiging op 23 november 2007 nogmaals naar het bij de Raad bekende adres van appellant gezonden. Op 27 november 2007, de dag van de zitting, kwam deze retour met daarop de vermelding “Verhuisd”. Nu uit deze laatste retourzending moet worden afgeleid dat appellant heeft verzuimd de Raad in kennis te stellen van de wijziging van zijn adres en dit eerst op de dag van de zitting is gebleken, wordt geen aanleiding gezien de behandeling ter zitting aan te houden en partijen wederom voor een nieuwe zitting uit te nodigen. De Raad overweegt voorts het volgende. Bij besluit van 25 januari 2006 heeft het College beslist op een aanvraag van appellant om bijzondere bijstand. Tegen dat besluit is bij brief van 6 maart 2006 bezwaar gemaakt, welke brief op 10 maart 2006 bij het College is ontvangen. Bij besluit van 20 september 2006 is dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat niet tijdig bezwaar is gemaakt en niet is gebleken van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 20 september 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen: “De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast is komen te staan dat eiser het bezwaarschrift heeft gedeponeerd in de postbus van verweerder bij het steunpunt in Dieren. Op grond van vaste jurisprudentie komt bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst het risico van het niet kunnen aantonen dat het bezwaarschrift daadwerkelijk op de betreffende dag is verzonden voor rekening van de afzender. Nu eiser niet kan aantonen dat hij het bezwaarschrift tijdig bij genoemd steunpunt heeft ingediend en de rechtbank niet is gebleken van redenen op grond waarvan de termijnoverschrijding verontschuldigbaar zou zijn, is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat eiser niet op de hoogte zou zijn van de regels omtrent het indienen van een bezwaarschrift leidt niet tot een ander oordeel, nu in de rechtsmiddelenclausule onder het primaire besluit duidelijk staat aangegeven dat een bezwaarschrift ingediend moet zijn binnen zes weken na de dag waarop het primaire besluit is verzonden.” De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd geheel verenigen. Hetgeen appellant in hoger heeft aangevoerd, in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2008. (get. ) Th.C. van Sloten. (get.) L. Jörg. IJ